ECLI:NL:RBAMS:2009:BK2961

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/3114 WWB en 09/2904 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7 WWBArt. 9 WWBArt. 8:75 AwbArtikel 14 Invoeringswet WWB
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruik privaatrechtelijke stageovereenkomst als voorziening binnen WWB vereist bestuursrechtelijke besluitvorming

Eiseres sloot een stageovereenkomst met de Dienst Werk en Inkomen (DWI) voor een periode van zes maanden. De stagevergoeding werd vanaf 1 mei 2009 geblokkeerd vanwege ongeoorloofd verzuim en de stageovereenkomst werd per 27 mei 2009 beëindigd. Verweerder verklaarde de daarop ingediende bezwaren niet-ontvankelijk omdat volgens hem de overeenkomst privaatrechtelijk was en geen bestuursrechtelijk besluit vormde.

De rechtbank stelt vast dat hoewel de stageovereenkomst privaatrechtelijk is, deze wordt aangeboden als een voorziening op grond van artikel 7 van Pro de WWB. Het aanbieden, wijzigen en beëindigen van de stageovereenkomst zijn daarmee ook bestuursrechtelijke besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb Pro. Dit betekent dat bezwaar en beroep tegen deze besluiten openstaan.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep die bevestigen dat privaatrechtelijke middelen mogen worden ingezet om publiekrechtelijke doelen te bereiken, mits dit niet leidt tot een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke weg. In dit geval is het gebruik van de privaatrechtelijke stageovereenkomst geoorloofd, maar de besluiten daaromtrent zijn wel bestuursrechtelijk aan te merken.

De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten waarin de bezwaren niet-ontvankelijk werden verklaard en beveelt verweerder binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren en bepaalt dat het aanbieden, wijzigen en beëindigen van de stageovereenkomst bestuursrechtelijke besluiten zijn waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 09/3114 WWB en 09/2904 WWB
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaken tussen:
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde mr. M.A. van Hoof,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde mr. J.M. Boegborn.
Procesverloop
Verweerder heeft bij brief van 13 mei 2009 meegedeeld dat de stagevergoeding van eiseres vanaf 1 mei 2009 is geblokkeerd.
Bij brief van 27 mei 2009 heeft verweerder besloten de stageovereenkomst per 27 mei 2009 te beëindigen.
Eiseres heeft twee bezwaarschriften ingediend.
Bij beslissingen op bezwaar van 8 juni 2009 (hierna: bestreden besluit I) en 30 juni 2009 (bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de zaken ter zitting behandeld op 25 augustus 2009. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken AWB 09/2396 WWB en AWB 09/2397 WWB. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde en mr. A. van Helvoort.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst voor afzonderlijke afdoening.
Overwegingen
1. Achtergrond en standpunt van partijen
1.1. Eiseres heeft op 25 augustus 2008 een stageovereenkomst gesloten met de Dienst Werk en Inkomen. Ingangsdatum van deze stageovereenkomst is 28 augustus 2008, de duur is zes maanden, de omvang 32 uur per week. In de overeenkomst is opgenomen dat de stagiair een stagevergoeding ontvangt.
1.2. In verband met ongeoorloofd verzuim is de stagevergoeding van eiseres vanaf 1 mei 2009 geblokkeerd en is de stageovereenkomst vervolgens beëindigd per 27 mei 2009.
1.3. Verweerder heeft de door eiseres tegen de blokkering van haar stagevergoeding en beëindiging van de stageovereenkomst aangevoerde bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de overeenkomst niet voortvloeit uit een publiekrechtelijke bevoegdheid. De klantmanager is volgens verweerder bevoegd een stageovereenkomst aan te gaan. Daarmee stelt hij DWI in staat aan personen die een beroep doen op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de WWB aan te bieden. Verweerder heeft verwezen naar de beleidsvoorschriften onder 19.14. Verweerder is van mening dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.4. Eiseres heeft in beroep onder meer aangevoerd dat met de stageovereenkomst uitvoering wordt gegeven aan de WWB. De WWB is volgens eiseres een publiekrechtelijke regeling waaraan verweerder bestuursrechtelijke bevoegdheden ontleent. Een dergelijke uit de wet voortvloeiende verplichting verhoudt zich volgens eiseres niet met het privaatrecht.
2. Beoordeling van het geschil
2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2. Verweerder stelt dat de blokkering van de stagevergoeding en de beëindiging van de stageovereenkomst niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat deze beslissingen geheel door het privaatrecht worden beheerst.
2.3. Eiseres heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.
2.4. De tussen de gemeente Amsterdam en eiseres gesloten stageovereenkomst is een privaatrechtelijke overeenkomst.
In de visie van verweerder is de stageovereenkomst een voorziening die op grond van artikel 7 van Pro de WWB wordt aangeboden. Dit blijkt onder meer uit de considerans van de overeenkomst waarin is opgenomen:
“overwegende dat als voorziening, bedoeld in artikel 7 lid 1 van Pro de Wet Werk en Bijstand, aan de stagiair een stageovereenkomst aangeboden dient te worden door de Dienst Werk en Inkomen ter verbetering van haar kansen op de arbeidsmarkt; (…)”
In de stageovereenkomst wordt de stagiair gehouden aan de verplichtingen voortvloeiende uit de Wet Werk en Bijstand, met name uit artikel 9 van Pro die wet, en uit de Re-integratieverordening Wet Werk en Bijstand van de gemeente Amsterdam.
Over de verhouding tussen het publiekrechtelijke en het privaatrechtelijke aspect heeft verweerder ter zitting onder meer gesteld:
“Met het inrichten van stageplekken en het aangaan van stageovereenkomsten stellen wij onszelf, langs privaatrechtelijke weg, in staat om (vrijwel onbeperkt) gebruik te kunnen maken van die publiekrechtelijke bevoegdheid; (…)”
2.5. De rechtbank stelt allereerst vast dat de stageovereenkomst namens de Dienst Werk en Inkomen is ondertekend door de klantmanager van eiseres.
Deze klantmanager is – via ondermandaat door de Directeur van de Dienst Werk en Inkomen gemandateerd om beslissingen namens het college van burgemeester en wethouders te nemen. Tevens is de klantmanager – via ondervolmacht van de Directeur Dienst Werk en Inkomen – gemachtigd namens de burgemeester van Amsterdam de gemeente Amsterdam privaatrechtelijk te binden.
De rechtbank gaat er in deze zaak van uit dat de klantmanager niet namens zichzelf maar namens het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester heeft besloten.
2.6. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB kent de wet als uitgangspunt dat de gemeente zo goed mogelijk moet zijn toegerust om de burger te helpen op weg naar werk en hem indien nodig daarbij een inkomenswaarborg te bieden. Daarbij dient de regelgeving zo te zijn ingericht dat de gemeenten een zo groot mogelijke beleidsruimte en beleidsverantwoordelijkheid hebben om het doel van de wet te realiseren.
2.7. Gezien de doelstelling van de WWB en gelet op de tekst van artikel 7 van Pro de WWB, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat verweerder in deze geen gebruik kan en mag maken van privaatrechtelijke middelen om het publiekrechtelijk doel te bereiken. Verwijzing naar de zogenoemde tweewegenleer (onder meer HR 26 januari 1990, AB 1990/408, LJN: AC0965, “[S]/[W]” en HR 9 juli 1990, AB 1990/547, LJN: AN1176, “[P]/[H]”), in welke jurisprudentie door de Hoge Raad criteria zijn ontwikkeld in welke gevallen het gebruik van de privaatrechtelijke weg een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke weg oplevert, kan - wat daar ook van zij in dit bestuursrechtelijk verband - niet tot een andere conclusie leiden.
2.8. Vervolgens moet wel in het oog worden gehouden dat het aanbieden van de privaatrechtelijke stageovereenkomst als het aanbieden van een voorziening in de zin van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB moet worden beschouwd. Dat betekent dat ook vervolgbeslissingen met betrekking tot de stageovereenkomst, zoals het wijzigen of beëindigen ervan, weliswaar door het privaatrecht worden beheerst, maar ook als een wijziging of beëindiging van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB moeten worden aangemerkt.
2.9. In die zin is iedere beslissing met betrekking tot de stageovereenkomst (tevens) een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, nu het een publiekrechtelijke rechtshandeling betreft die is gericht op rechtsgevolg. Tegen een dergelijk besluit dient bezwaar en beroep open te staan.
2.10. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 oktober 2007 (LJN: BB6594). Daarin heeft de Centrale Raad van Beroep in een overweging ‘ten overvloede en ter voorlichting aan partijen’ overwogen dat in artikel 14, eerste lid, van de Invoeringswet WWB is bepaald dat een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van Pro het Besluit in- en doorstroombanen geldt als een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Indien het college van burgemeester en wethouders aanleiding ziet een dergelijke voorziening te wijzigen of te beëindigen, dient hij hierover – met inachtneming van de toepasselijke regelgeving – een besluit te nemen en dit door middel van een besluit aan betrokkenen bekend te maken. Tegen dit besluit staan voor betrokkenen de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep open.
2.11. Het voorgaande betekent dat verweerder de bezwaren van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal de bestreden besluiten daarom vernietigen en verweerder opdragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
2.9 De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van deze beroepen gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-. Aangezien ten behoeve van eiseres ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de Rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht de betaling te geschieden aan de griffier van de rechtbank. De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht in beide beroepen aan haar moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt op de bezwaren van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd zesenzestig euro) te betalen aan de griffier van de rechtbank;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 78,-- (zegge: achtenzeventig euro) aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzitter, en mrs. H.G. Schoots en G.M. Beunk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Vries, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2009.
de griffier, de voorzitter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
Afschrift verzonden op:
DOC: B