ECLI:NL:RBAMS:2009:BL1370
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling woonruimtekarakter gehuurde en toepassing artikel 7:230a BW
De zaak betreft een geschil over de vraag of het gehuurde pand het karakter van woonruimte heeft verloren en daarmee artikel 7:230a BW van toepassing is. Verzoekers huren een pand dat oorspronkelijk woonruimte met kantoor aan huis was. In de loop der tijd is het gebruik deels veranderd, waarbij kantooractiviteiten op de begane grond en archiefruimte op de zolderetage zijn gevestigd, terwijl de eerste en tweede verdieping als woonruimte worden gebruikt, zij het als pied-à-terre.
Verzoekers vorderen primair niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek van de erven tot opzegging van de huurovereenkomst en subsidiair schorsing van de ontruimingsverplichting op grond van artikel 7:230a BW. De erven stellen dat het pand hoofdzakelijk als bedrijfsruimte wordt gebruikt en dat de opzegging rechtsgeldig is.
De rechtbank stelt vast dat het pand bij aanvang als woonruimte met kantoor aan huis werd verhuurd en dat deze bestemming niet volledig is gewijzigd. Het feit dat het gebruik is veranderd en het wonen nu minder intensief is, betekent niet dat het woonruimtehuurregime is komen te vervallen. De rechtbank concludeert dat het pand nog steeds woonruimte is en verklaart het verzoek op grond van artikel 7:230a BW niet-ontvankelijk.
De erven worden veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt dat de feitelijke en beoogde bestemming en het gebruik van het gehuurde bepalend zijn voor de toepasselijkheid van het woonruimtehuurregime, ook bij gemengd gebruik.
Uitkomst: Het verzoek op grond van artikel 7:230a BW wordt niet-ontvankelijk verklaard en de erven worden veroordeeld in de proceskosten.