ECLI:NL:RBAMS:2010:BM2159
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag voor in China woonachtig kind volgens Wet BEU
De rechtbank Amsterdam behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank om geen kinderbijslag toe te kennen voor zijn dochter die sinds september 2007 in China woont. De Wet beperkingen export uitkeringen (Wet BEU) en artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) bepalen dat geen recht op kinderbijslag bestaat voor kinderen die niet in Nederland of een verdragsland wonen.
Eiser stelde dat hij recht had op kinderbijslag omdat hij zelf in een verdragsland woonde en dat de weigering in strijd was met zijn recht op gezinsleven en onderwijskeuze (artikel 8 EVRM Pro) en dat er sprake was van ongerechtvaardigd onderscheid (artikel 14 EVRM Pro). De rechtbank oordeelde dat het onderscheid gerechtvaardigd is vanwege de noodzaak tot controle op rechtmatigheid van uitkeringen en dat de situatie van eiser geen schending van het recht op gezinsleven inhoudt.
Verder stelde eiser dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat hem was toegezegd dat het recht op kinderbijslag zou blijven bestaan. De rechtbank vond geen bewijs voor deze toezegging en oordeelde dat zelfs bij aannemen van de stelling dit niet tot toekenning van kinderbijslag in strijd met de wet zou leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het ontbreken van een verdrag met China een rechtmatige grond is om geen kinderbijslag toe te kennen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van kinderbijslag voor zijn in China woonachtige dochter wordt ongegrond verklaard.