ECLI:NL:CRVB:2011:BR4318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag voor in China wonend kind op grond van Wet BEU
Appellant, woonachtig in Duitsland, vordert kinderbijslag voor zijn dochter die sinds september 2007 in China woont. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigert deze uitkering op grond van artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), zoals ingevoerd door de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU). Deze wet stelt dat kinderbijslag alleen wordt toegekend als het kind woont in een land waarmee een handhavingsverdrag is gesloten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelt dat het onderscheid naar woonplaats geen ontoelaatbaar onderscheid vormt en binnen de ruime beoordelingsvrijheid ('margin of appreciation') van de staat valt. Het ontbreken van een verdrag met China rechtvaardigt de weigering van kinderbijslag. Tevens is geen sprake van ongelijke behandeling ten opzichte van andere sociale zekerheidswetten zoals AOW en ANW.
Verder oordeelt de Raad dat het beroep op het eigendomsrecht en het recht op gezinsleven volgens het EVRM niet slaagt, omdat het recht op kinderbijslag verloren is gegaan door verhuizing naar een land zonder verdrag en er geen ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan. Ook het beroep op eerdere toezeggingen van medewerkers van de Svb faalt. De uitvoeringspraktijk van de Svb in China is consistent en er is geen bewijs van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. De aangevallen uitspraak wordt derhalve bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag voor het in China wonende kind wegens het ontbreken van een handhavingsverdrag.