ECLI:NL:RBAMS:2010:BM2240

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10-929 GEMWT
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing handhavingsbesluit luchtbehandelingsinstallaties op dak restaurant in Amsterdam

Verzoeksters, waaronder Humphrey’s Spuistraat B.V., hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het stadsdeel Amsterdam Centrum om luchtbehandelingsinstallaties zonder bouw- en monumentenvergunning te verwijderen. De voorzieningenrechter beoordeelde dat de omwonenden vooral bezorgd zijn over geluid- en stankoverlast, terwijl uitzichtschade minder acuut is. De aanwezigheid van geluid- en stankoverlast vormt geen grond voor afwijzing van vergunningen, en omwonenden kunnen handhaving verzoeken indien regels worden overschreden.

Ter zitting bleek dat verzoekster I al enkele installaties had verwijderd en bereid was geluidswerende en visuele maatregelen te treffen. De omwonenden gaven aan geen bezwaar te hebben tegen het restaurant en vertrouwen te hebben in de bereidheid tot overleg en maatregelen. Verzoekster I stelde dat zij grote financiële belangen heeft bij het openhouden van het restaurant en dat het technisch onmogelijk is de installaties tijdelijk terug te brengen in de oude staat.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van verzoeksters zwaarder wegen dan het belang om nu handhavend op te treden. Daarom werd het besluit geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar, met een duidelijke boodschap aan verzoeksters om voortvarend te handelen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het handhavingsbesluit tot verwijdering van de luchtbehandelingsinstallaties is geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 10/929 GEMWT
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op
26 maart 2010 in de zaak tussen
Humphrey’s [woonplaats] Spuistraat B.V., gevestigd te Amsterdam, verzoekster I,
Culi-Nova B.V., verzoekster II, gevestigd te Barendrecht,
Fransche Kerkenmonumenten B.V. gevestigd te Amsterdam, verzoekster III,
tezamen ook: verzoeksters, gemachtigde mr. H. Nijman
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Centrum, van de gemeente Amsterdam, verweerder, gemachtigde mr. L.C. van Elewoud.
Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:
de Vereniging van eigenaren [adres],
Duyves Beheer B.V.,
[naam 1] en [naam 2],
[naam 3] en [naam 4],
[naam 5] en [naam 6],
allen gevestigd/wonende te [woonplaats], belanghebbenden (omwonenden),
gemachtigde mr. C.L. Knijff.
Zitting hebben:
mr. H.P. Kijlstra, als voorzieningenrechter
mr. V. Heijman, als griffier
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit van 4 februari 2010 tot twee weken na verweerders beslissing op verzoeksters bezwaren;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeksters, tot een bedrag van € 874 (zegge: achthonderd en vierenzeventig euro) te betalen aan verzoeksters;
- bepaalt dat verweerder aan verzoeksters het griffierecht ten bedrage van € 298 (zegge: tweehonderd en achtennegentig euro) vergoedt.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoekster opgedragen om binnen vier weken na dagtekening de op het dak van het pand aan de [adres] aangebrachte (afzuig- en luchtbehandelings)installaties ter verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 75.000 ineens. Volgens verweerder is voor de installaties een bouw- en monumentenvergunning vereist. Bovendien bestaat ernstige twijfel over het bestaan van een concreet zicht op legalisatie. Verzoeker I wil in het pand een restaurant exploiteren en heeft inmiddels aanvragen gedaan voor een bouwvergunning en een monumentenvergunning.
3.1. Ter zitting is gebleken dat de bezorgdheid van de omwonenden op dit moment voornamelijk betrekking heeft op de geluids- en stankoverlast van de installaties. De uitzichtschade is een minder acuut probleem. De aanwezigheid van geluids- en stankoverlast vormt echter geen grond voor afwijzing van een bouw- en/of monumentenvergunning. De omwonenden kunnen verweerder verzoeken om handhavend op te treden, indien zij van mening zijn dat sprake is van overschrijding van de op geluid en stank van toepassing zijnde regels.
3.2. Verzoekster I heeft ter zitting aangegeven dat de afvoerpijp van de luchtbehandelingsinstallatie inmiddels is aangepast en een aantal installaties reeds van het dak zijn verwijderd. Verzoekster I is bereid geluidswerende wanden aan te brengen die de afvoerpijpen en de installaties eveneens visueel afschermen.
3.3. Ter zitting is door de omwonenden, bij monde van de heer [naam 3], aangegeven dat zij op zichzelf geen bezwaar hebben tegen de komst van het restaurant en dat zij tot nu toe een goede verstandhouding hebben gehad met verzoekster I. In beginsel bestaat er vertrouwen in de bereidheid van verzoekster I om de bezwaren tegen de installaties door het nemen van passende maatregelen en in onderling overleg met de omwonenden weg te nemen.
3.4. Verzoekster I heeft ter zitting toegelicht dat zij grote (financiële) belangen heeft bij het open houden van het restaurant in afwachting van de beslissing op bezwaar en dat het technisch onmogelijk is om de installaties in de tussentijd terug te brengen in de oude staat.
3.5. Gelet op de opstelling van de omwonende [naam 3] ter zitting is de rechter van oordeel dat de door verzoeksters aangevoerde belangen zwaarder wegen dan het belang om op dit moment handhavend op te treden. Het bestreden besluit zal dan ook worden geschorst. De rechter volstaat met een schorsing tot twee in plaats van zes weken na de beslissing op verzoeksters bezwaren, om verzoeksters duidelijk te maken dat voortvarendheid geboden is.
4. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
de griffier de voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:
D: B
SB