ECLI:NL:RBAMS:2010:BM5290
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding redelijke termijn in jeugdstrafzaak en schending getuigenverhoor
Verdachte werd vervolgd voor overtreding van artikelen 180 en 184 Sr, betreffende het niet respecteren van openbaar gezag. De zaak betrof een jeugdige verdachte die op 7 augustus 2007 werd aangehouden na een massale vechtpartij. De redelijke termijn voor afronding van de zaak werd door de rechtbank vastgesteld op 19 maanden, rekening houdend met het aantal te horen getuigen. De feitelijke duur van de procedure bedroeg echter 33 maanden, een overschrijding van 14 maanden.
De rechtbank stelde vast dat de vertragingen niet te wijten waren aan de verdachte, maar aan het procesverloop en het niet verschijnen van een belangrijke verbalisant die vier keer niet was komen opdagen. Dit schond het recht van verdachte op het ondervragen van een getuige à charge, zoals beschermd door artikel 6 EVRM Pro.
Hoewel de Hoge Raad in een arrest van 17 juni 2008 heeft bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn in beginsel gecompenseerd wordt met strafvermindering en niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, oordeelde de kinderrechter dat het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IRVK) in deze zaak een andere uitkomst vereisten.
De rechtbank concludeerde dat het pedagogische effect van een veroordeling door de lange duur verloren was gegaan en zelfs averechts zou werken. Daarom verklaarde zij de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte, waarmee het recht op een snelle en doeltreffende strafrechtelijke reactie voor jeugdigen werd gewaarborgd.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en schending van het recht op het horen van een belangrijke getuige.