ECLI:NL:RBAMS:2010:BM5292
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring officier van justitie wegens overschrijding redelijke termijn in jeugdstrafzaak
In deze jeugdstrafzaak is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro met 14 maanden is overschreden. De zaak betrof een vechtpartij tijdens een straatfeest waarbij verdachte werd aangehouden en in verzekering gesteld op 7 augustus 2007. Ondanks meerdere oproepen verscheen een belangrijke verbalisant niet als getuige, waardoor het recht van verdachte op ondervraging werd geschonden.
De officier van justitie stelde zich ontvankelijk en beriep zich op compensatie door strafvermindering conform een arrest van de Hoge Raad uit 2008. De kinderrechter oordeelde echter dat dit arrest niet onverkort toepasbaar is in het jeugdstrafrecht, mede vanwege het pedagogische karakter en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IRVK).
De kinderrechter concludeerde dat de langdurige duur van de procedure, het ontbreken van een voortvarende behandeling door de autoriteiten en het feit dat de verbalisant bewust de oproepen negeerde, ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren. Daarom werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en schending van het recht op ondervraging van een belangrijke getuige.