ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3006
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing loonsanctie wegens vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen
De zaak betreft een beroep van een vennootschap onder firma tegen een loonsanctiebesluit van het UWV, waarbij de loondoorbetalingsverplichting aan een arbeidsongeschikte werknemer met 52 weken werd verlengd wegens vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen.
De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht het besluit had genomen en of de werkgever daadwerkelijk tekort was geschoten in haar re-integratieverplichtingen. Uit de stukken bleek dat de werknemer niet was teruggekeerd in het werk, maar dat de werkgever meerdere gespecialiseerde re-integratiebureaus had ingeschakeld die geen concrete resultaten hadden bereikt.
De rechtbank stelde vast dat het UWV onvoldoende concreet had gemotiveerd waarom de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, wat een motiveringsgebrek opleverde. Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de werkgever haar verantwoordelijkheid had genomen door diverse deskundigen in te schakelen.
Op grond hiervan werd het beroep gegrond verklaard, het loonsanctiebesluit vernietigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het UWV dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het loonsanctiebesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en onvoldoende bewijs van tekortkoming van de werkgever.