ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3121
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met broer
Verzoeker heeft een bijstandsuitkering aangevraagd op grond van de norm voor een alleenstaande, terwijl hij samenwoonde met zijn broer. Verweerder stelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en wees de aanvraag af. Verzoeker voerde aan dat hij en zijn broer hun financiën strikt gescheiden hielden en geen gezamenlijke huishouding voerden.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker en zijn broer hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en blijk gaven van wederzijdse verzorging, zoals het delen van huishoudelijke taken en zorg bij ziekte. De verklaring van verzoeker tijdens het onderzoek werd als betrouwbaar beoordeeld, ondanks zijn latere ontkenning.
Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB en vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep concludeerde de voorzieningenrechter dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Daarom had verzoeker geen recht op bijstand als alleenstaande. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding met zijn broer.