ECLI:NL:CRVB:2008:BF5128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 juli 2004
Appellante ontving sinds 1996 bijstand en werd in 2005 onderzocht vanwege vermoedens van gezamenlijke huishouding met [H.]. Het College trok de bijstand in vanaf november 1996, omdat appellante haar inlichtingenplicht zou hebben geschonden door het niet melden van deze huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellante ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat de intrekking niet over de gehele periode terecht was.
De Raad oordeelde dat het eerste criterium van gezamenlijke huishouding, het hoofdverblijf in dezelfde woning, vanaf november 1996 was voldaan. Echter ontbrak voldoende bewijs dat sprake was van wederzijdse verzorging vóór medio 2004. Vanaf 1 juli 2004 was dit wel het geval, mede door de beschermende rol van [H.] tegen overlast.
Daarom was het College slechts bevoegd de bijstand vanaf 1 juli 2004 in te trekken. De Raad vernietigde het eerdere oordeel dat de intrekking vanaf 1996 geldig was en veroordeelde het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het College mocht de bijstand van appellante slechts intrekken vanaf 1 juli 2004 wegens gezamenlijke huishouding.