ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1998
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over samenwerkingsovereenkomst en verzet tegen verstekvonnis tussen voormalige partners in fiscale praktijk
De zaak betreft een geschil tussen [A] en [B], voormalige samenwerkende partners in een fiscale en juridische praktijk. [A] vorderde betaling van een bedrag gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst, terwijl [B] verzet aantekende tegen een verstekvonnis en tevens reconventionele vorderingen instelde, onder meer over een dienstverband en onverschuldigde betaling van huur.
De rechtbank oordeelde dat de verzettermijn verstreken was, maar dat toepassing daarvan onverkort zou leiden tot een oneerlijk proces in strijd met artikel 6 EVRM Pro, omdat het vonnis niet persoonlijk was betekend en [B] niet op de hoogte was van derdenuitvoering. Daarom werd het verzet ontvankelijk verklaard.
De rechtbank verwees vorderingen die betrekking hebben op een arbeidsovereenkomst en huurovereenkomst naar de sector kanton vanwege hun aard en samenhang. Andere vorderingen, zoals schadevergoeding wegens onrechtmatige belediging en vergoeding voor verrichte werkzaamheden, werden inhoudelijk beoordeeld. De schadevergoeding van EUR 5.000 werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering voor werkzaamheden werd deels toegewezen tot EUR 100,00 plus rente. Diverse overige vorderingen werden afgewezen.
De procedurekosten in conventie en reconventie werden aangehouden totdat de kantonrechter hierover beslist. Partijen werden geïnformeerd dat zij in de vervolgprocedure niet verplicht zijn een advocaat te hebben.
Uitkomst: Verzet ontvankelijk verklaard, diverse vorderingen afgewezen, enkele toegewezen en samenhangende vorderingen verwezen naar sector kanton.