ECLI:NL:RBAMS:2010:BO9296
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.P.C. Janssen
- I.M.L. Felix
- B. Poelert
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor bezit en verspreiding van kinderpornografische schilderijen en afbeeldingen
De rechtbank Amsterdam heeft op 17 december 2010 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het vervaardigen, verspreiden en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen, waaronder schilderijen, tekeningen, foto's en filmpjes.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde, maar verklaarde het subsidiair ten laste gelegde grotendeels bewezen. Dit betrof onder meer het verspreiden en in bezit hebben van afbeeldingen en schilderijen waarop seksuele gedragingen van minderjarige jongens zichtbaar waren. De rechtbank oordeelde dat ook geschilderde of getekende afbeeldingen als strafbare kinderpornografie kunnen worden aangemerkt wanneer deze op het eerste gezicht niet van echte kinderen te onderscheiden zijn.
Het bewijs bestond uit waarnemingen van de schilderijen en afbeeldingen, processen-verbaal, en de wetsgeschiedenis van artikel 240b Wetboek van Strafrecht. De rechtbank motiveerde uitvoerig waarom bepaalde afbeeldingen en schilderijen wel of niet als kinderpornografisch werden aangemerkt.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 200 uur met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een proeftijd van 1 jaar, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en het tijdsverloop van de procedure.
De uitspraak benadrukt het belang van de strafbaarheid van virtuele kinderporno en de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting, ook via realistische afbeeldingen die niet van echte kinderen te onderscheiden zijn.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden voor bezit en verspreiding van kinderpornografische afbeeldingen en schilderijen.