ECLI:NL:RBAMS:2011:BU1274

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11-165 WW44
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 WoningwetArt. 4.1 Bouwverordening Amsterdam 2003Art. 10.3 Bouwverordening Amsterdam 2003
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bouwvergunning ligboxenstal en weigering overschrijving op naam eiser

Eiser heeft een perceel met stal gekocht met de intentie een agrarisch bedrijf te starten, waarbij hij de bouwvergunning op zijn naam wilde laten overschrijven. Verweerder heeft de bouwvergunning, die negen jaar eerder was verleend, ingetrokken vanwege het niet starten van bouwwerkzaamheden binnen de gestelde termijn en de strijdigheid met het toekomstige planologisch regime.

De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd was de bouwvergunning in te trekken, ondanks dat de vergunning nog niet op naam van eiser was overgeschreven. Het belang van het toekomstige bestemmingsplan, dat geen nieuwe bebouwing toestaat in het kwetsbare natuurgebied, weegt zwaarder dan het belang van eiser om een agrarisch bedrijf te starten.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen zijn gedaan door het bevoegde gezag en de brief waarop eiser zich beroept een niet verzonden concept betreft. Ook is geen sprake van onzorgvuldig handelen door verweerder. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de griffiekosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bouwvergunning en weigering tot overschrijving wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 11/165 WW44
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. B.P. Marijnen,
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Noord van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde: mr. M.C. Lans.
Procesverloop
Op 20 maart 2008 is aan [vorige eigenaar 1] en [vorige eigenaar 2] ([vorige eigenaar]) een voornemen tot het intrekken van de op 10 december 1999 verleende bouw-, sloop- en aanlegvergunning voor het oprichten van een ligboxenstal aan de Termietergouw 16 te Zunderdorp gestuurd. Op dit voornemen is geen zienswijze ingediend.
Bij brief van 26 juni 2009 heeft eiser verzocht om overschrijving van voornoemde bouwvergunning op zijn naam.
Bij besluit van 12 april 2010, gericht aan [vorige eigenaar], is de op 10 december 1999 verleende bouwvergunning ingetrokken (het eerste primaire besluit).
Bij besluit van eveneens 12 april 2010, gericht aan eiser, heeft verweerder geweigerd de bouwvergunning op naam van eiser over te schrijven (het tweede primaire besluit).
Op 21 mei 2010 hebben eiser en [vorige eigenaar] tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 december 2010 heeft verweerder de bezwaren tegen de intrekking van de bouwvergunning ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de weigering de bouwvergunning over te schrijven gegrond verklaard, maar het besluit niet herroepen omdat de bouwvergunning inmiddels was ingetrokken (het bestreden besluit).
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2011.
Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dit gold ten tijde van en voor zover van belang, kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden.
1.2. Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Bouwverordening Amsterdam 2003 (Bouwverordening), zoals dit gold ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders op grond van het gestelde in artikel 59 van Pro de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt.
2.1. Eiser stelt in beroep dat hij in 2008 het perceel weiland met stal aan de Termietergouw 16 te Zunderdorp heeft gekocht omdat hij een boerenbedrijf wil starten. De aan [vorige eigenaar] verleende vergunning zou het mogelijk maken als deeltijdboer te starten. Eiser was niet op de hoogte van het voornemen tot intrekking van de bouwvergunning van 20 maart 2008 aan [vorige eigenaar]. Op 15 mei 2008 is het perceel weiland met stal aan eiser verkocht en geleverd. De oude stal voldeed al niet in 1999 en het is in niemands belang als de stal niet kan worden verbouwd. De bouwvergunning had in 2009, dus ruim voor de intrekking, al op zijn naam overgeschreven moeten worden zodat hij had kunnen starten met de bouw en er geen grond voor intrekking meer zou zijn. Verweerder was ruim voor de intrekking bekend met het voornemen van eiser om te gaan bouwen. De huidige schuur bestaat al vanaf 1963 en het planologische regime wordt niet verstoord door het herbouwen van de stal. Wellicht staat het nieuwe bestemmingsplan geen nieuwe bebouwing toe maar het stadsdeel dient de door de rechtsvoorgangers verworven rechten te respecteren, aldus eiser.
2.2. Verweerder heeft aangegeven dat ingevolge artikel 10.3 van de Bouwverordening de bouwvergunning had moeten worden overgeschreven op eisers naam, omdat deze bepaling geen ruimte laat voor een belangenafweging. Dit bezwaar is dan ook gegrond en het bestreden besluit wordt op dit punt herroepen. Niet in geschil is dat geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning. Verweerder was dan ook bevoegd de bouwvergunning in te trekken. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de intrekking van de bouwvergunning geen verplichting maar een bevoegdheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2006, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AX4416) en moeten bij gebruik van deze bevoegdheid alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Nu de bouwvergunning nog niet was overgeschreven was eiser niet in staat aannemelijk te maken dat hij binnen afzienbare tijd met de bouw zou starten, hij beschikte immers nog niet over de bouwvergunning. Desondanks was verweerder bevoegd de bouwvergunning in te trekken. In het ontwerp-bestemmingsplan “Landelijk Noord” is voor dit perceel geen bouwmogelijkheid opgenomen, want er ligt geen bouwvlak en op gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden – Veenweidegebied” mag alleen worden gebouwd binnen een bouwvlak. De bouwvergunning verdraagt zich niet met het toekomstig planologisch regime, zodat er grond is voor intrekking van de vergunning. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van eiser een agrarisch bedrijf op te zetten.
2.3. Ter zitting heeft verweerder nog uiteengezet dat het hier om een klein en kwetsbaar natuurgebied gaat, waar de bestaande boerenbedrijven het moeilijk hebben en waarvoor een uitsterfbeleid wordt gevoerd. Verweerder wil dan ook absoluut niet dat in dit gebied geheel nieuwe agrarische bedrijven worden opgericht. Dit beleid is ook in het komende bestemmingsplan neergelegd.
2.4. De intrekking van de bouwvergunning is een bevoegdheid van verweerder, zodat de rechtbank dit besluit van verweerder slechts terughoudend mag beoordelen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bouwvergunning. Weliswaar had verweerder de bouwvergunning op naam van eiser moeten overschrijven, maar dit laat de bevoegdheid tot intrekking van de negen jaar eerder verleende bouwvergunning onverlet. Verweerder heeft voor de intrekking van de bouwvergunning een gegronde reden, namelijk dat de planologische inzichten inmiddels zijn gewijzigd en dat dit blijkt uit het ontwerp-bestemmingsplan “Landelijk Noord” dat niet voorziet in bebouwingsmogelijkheden voor dit perceel. De oude stal zal dan onder het overgangsrecht bij het nieuwe bestemmingsplan komen te vallen. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij in de toekomst graag in de buurt van het perceel wil gaan wonen, hetgeen zou inhouden dat een nieuw agrarisch bedrijf zou ontstaan. Verweerder heeft gewezen op de veranderde inzichten over het gebied en aangegeven dat het huidige beleid geen extra agrarische bedrijven en bebouwing toestaat. Niet kan worden staande gehouden dat de bevoegdheid tot het intrekken van een bouwvergunning niet mag worden gebruikt om te bewerkstelligen dat nieuwe planologische inzichten niet worden doorkruist.
2.4. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat ambtenaren van verweerder hem vóór de aankoop van het perceel hebben geïnformeerd over de bebouwingsmogelijkheden en dat zij hierbij zou zijn gezegd dat de aan [vorige eigenaar] verleende bouwvergunning op naam van eiser zou kunnen worden overgeschreven. Eiser heeft ter zitting verwezen naar een brief van verweerder van 6 juli 2009, waarin verweerder kenbaar maakt dat de bedoelde vergunning op naam van eiser zal worden overgeschreven. Gemachtigde van verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat de brief van 6 juli 2009 niet is ondertekend en geen brief-/kenmerknummer heeft, zodat het om een concept gaat dat niet is verzonden. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat hij de brief nooit per post heeft ontvangen, maar dat deze zich tussen de gedingstukken bevond, die hij van verweerder heeft ontvangen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het bevoegde gezag aan eiser toezeggingen heeft gedaan over het realiseren van nieuwe bebouwing op het perceel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
2.5. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder met de intrekking van de bouwvergunning onzorgvuldig jegens eiser heeft gehandeld. Verweerder heeft immers voor de aankoop van het perceel door eiser een voornemen tot het intrekken van de bouwvergunning gestuurd aan de toenmalige eigenaar [vorige eigenaar]. Het nadeel dat eiser door de intrekking van de bouwvergunning lijdt, lijkt, afgaande op de stellingen van eiser in dit beroep, vooral een gevolg te zijn van de omstandigheid dat [vorige eigenaar] eiser niet vóór de levering van het perceel weiland met stal uitdrukkelijk op de hoogte heeft gesteld van het inmiddels door hem ontvangen voornemen van verweerder om de bouwvergunning voor de ligboxenstal in te trekken. Dat nadeel is dus niet een gevolg van onzorgvuldig handelen van verweerder.
5. Het beroep zal ongegrond zal worden verklaard. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten of tot vergoeding van het door eiser gestorte griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Heijman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
23 september 2011.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.
Afschrift verzonden op:
DOC: B
SB