ECLI:NL:RBAMS:2011:BU1428
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen arbeidsovereenkomst maar overeenkomst van opdracht met recht op vergoeding bij onregelmatige opzegging
De zaak betreft een geschil tussen eiser en gedaagde over de kwalificatie van hun arbeidsrelatie en de gevolgen van de beëindiging daarvan. Eiser stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst en vorderde betaling van achterstallig salaris en een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Gedaagde betwistte dit en stelde dat het een overeenkomst van opdracht betrof, waarbij eiser zich mocht laten vervangen en er geen gezagsverhouding bestond.
De rechtbank stelde vast dat eiser sinds 1978 werkzaamheden verrichtte voor gedaagde en diens rechtsvoorganger, aanvankelijk als uitdeler en later als depothouder. De overeenkomst van 1 mei 2005 was getiteld als overeenkomst van opdracht. Belangrijke bepalingen in de algemene voorwaarden gaven depothouders de vrijheid zich te laten vervangen. Eiser ontving een vaste vergoeding en er was geen sprake van persoonlijke arbeidsverplichting.
De rechtbank concludeerde dat er geen arbeidsovereenkomst bestond, mede omdat eiser zich tijdens ziekte en vakantie kon laten vervangen en geen recht had op doorbetaling. De primaire en subsidiaire vorderingen werden afgewezen. Wel werd de meer subsidiaire vordering toegewezen, omdat gedaagde de overeenkomst zonder inachtneming van de opzegtermijn had beëindigd. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding van €9.432,00 vermeerderd met wettelijke rente en de proceskosten.
Uitkomst: Geen arbeidsovereenkomst, maar gedaagde moet vergoeding betalen wegens niet-naleving opzegtermijn van zes maanden.