ECLI:NL:RBAMS:2011:BU6202
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen kennelijk onredelijk ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid zonder uitzicht op herstel
De werknemer was sinds 1980 in dienst van de bank en raakte in maart 2004 volledig arbeidsongeschikt door hartklachten. Na meerdere CAO-wijzigingen werd de arbeidsovereenkomst na twee jaar volledige arbeidsongeschiktheid beëindigd, mits geen herstel binnen 26 weken werd verwacht. De bedrijfsarts stelde op 17 april 2009 vast dat herstel niet te verwachten was. De bank vroeg en kreeg toestemming van het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, wat zij deed per 1 november 2009.
De werknemer vorderde dat het ontslag als kennelijk onredelijk werd verklaard en eiste een vergoeding, stellende dat hem een toezegging was gedaan dat hij niet zou worden ontslagen en dat hij financiële schade zou lijden door het ontslag. De bank voerde aan dat geen toezegging was gedaan om het dienstverband nooit te beëindigen en dat de werknemer door CAO-regelingen financieel niet slechter af zou zijn.
De kantonrechter oordeelde dat zelfs als de toezegging zou zijn gedaan, dit niet tot toewijzing van de vorderingen leidt omdat het ontslag geen relevante financiële gevolgen heeft. Er was geen uitzicht op herstel en de werknemer had geen schade geleden ten tijde van het ontslag. De vordering tot vergoeding en verklaring voor recht werd afgewezen, evenals de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van de werknemer wegens kennelijk onredelijk ontslag worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.