Verzoekster, vertegenwoordigd door mr. Moszkowicz, diende een wrakingsverzoek in tegen kantonrechter de Koning wegens vermeende partijdigheid. Het verzoek volgde op meerdere verzoeken tot uitstel van een comparitie, die door de rechter waren afgewezen vanwege procesorde en rolreglementen.
De rechtbank nam kennis van het dossier, waaronder medische verklaringen van mr. Moszkowicz en correspondentie over de comparitiedata. De rechter oordeelde dat de afwijzing van uitstelverzoeken en het niet toestaan van een conclusie na comparitie processuele beslissingen waren die niet onbegrijpelijk waren en geen aanleiding gaven tot de schijn van partijdigheid.
De rechtbank stelde vast dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend maar inhoudelijk ongegrond. Er was geen objectieve of subjectieve schijn van partijdigheid. Bovendien concludeerde de rechtbank dat het wrakingsverzoek was bedoeld om de procedure te frustreren, waardoor sprake was van misbruik van recht. Daarom werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
De rechtbank wees het wrakingsverzoek af en bepaalde dat de procedure ongewijzigd wordt voortgezet. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk.