ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0269
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verwijdering persoonsgegevens uit incidentenregister wegens gerechtvaardigd belang bank
De zaak betreft een verzoek van een cliënt van ING Bank om zijn persoonsgegevens te verwijderen uit het incidentenregister en het daaraan gekoppelde extern verwijzingsregister (EVR). De cliënt werd verdacht van betrokkenheid bij een fraude met zijn betaalrekening, waarbij een bedrag van € 1.000 frauduleus werd bijgeschreven en vervolgens werd geprobeerd dit bedrag op te nemen met zijn betaalpas en pincode.
De rechtbank stelt vast dat de bank de persoonsgegevens op grond van een gerechtvaardigd belang verwerkt en dat het protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 2011 als toetsingskader geldt. De rechtbank oordeelt dat de bank voldoende ernstige aanwijzingen heeft voor de betrokkenheid van de cliënt bij de fraude, waaronder het gebruik van de betaalpas met juiste pincode en het raadplegen van de rekening via internetbankieren zonder plausibele verklaring van de cliënt.
De rechtbank overweegt dat het criterium van de Hoge Raad is toegepast, namelijk dat de gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren. Ook het proportionaliteitsbeginsel is in acht genomen; de belangen van de bank wegen zwaarder dan de privacybelangen van de cliënt, mede omdat de cliënt minderjarig was en slechts voor vier jaar in het register wordt opgenomen. Het verzoek tot verwijdering wordt daarom afgewezen en de cliënt wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens uit het incidentenregister en extern verwijzingsregister wordt afgewezen.