ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4337
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie wegens ernstige overschrijding redelijke termijn
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van een poging tot doodslag in België in 1997. Het onderzoek kende een langdurige vertraging, mede door het uitleveringsverzoek van België en het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit door verdachte, waardoor uitlevering werd geweigerd. Pas in 2001 werd het verzoek tot overname van de strafvervolging door Nederland ingewilligd.
De zaak werd aanvankelijk gepland voor september 2005, maar door diverse vertragingen, waaronder het late ontvangen van het dossier door de raadsman en de detentie van verdachte in Oostenrijk, werd de behandeling uitgesteld. Na de zitting in november 2005 heeft het Openbaar Ministerie geen noemenswaardige onderzoekshandelingen verricht tot aan de voortzetting van de zaak in april 2012.
De verdediging voerde aan dat door deze ernstige overschrijding van de redelijke termijn en het tijdsverloop verdachte niet meer in staat is een adequate verdediging te voeren, mede omdat mogelijk bewijsmateriaal verloren is gegaan. De officier van justitie erkende de vertraging en stelde zich uiteindelijk op het standpunt dat niet-ontvankelijkheid gerechtvaardigd is.
De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn en het gebrek aan goede redenen voor de vertraging ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde vormen. Voortzetting van het proces zou in strijd zijn met een eerlijke behandeling. Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.