ECLI:NL:RBAMS:2012:BW6591
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag wegens verjaring
Eiseres was sinds 1 april 1998 in dienst bij gedaagde en werd op 1 januari 2011 ontslagen na toestemming van het UWV. Zij vorderde een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Eiseres stelde dat de verjaring was gestuit door brieven van 25 maart 2011 en 28 juli 2011. Gedaagde betwistte ontvangst van de brief van 25 maart 2011, die aan zijn advocaat in een andere procedure was gericht.
De kantonrechter oordeelde dat de brief van 25 maart 2011 niet rechtsgeldig aan gedaagde was ontvangen, omdat de advocaat niet gemachtigd was voor de ontslagprocedure en ontvangst door diens secretaresse niet aan gedaagde kon worden toegerekend. Eiseres had onvoldoende concrete feiten gesteld of bewijs geleverd dat de brief via de advocaat aan gedaagde was overgebracht.
De arbeidsovereenkomst eindigde feitelijk op 1 januari 2011, waardoor de verjaringstermijn van zes maanden op 1 juli 2011 verliep. Zonder geldige stuiting was de vordering op 15 mei 2012 verjaard. Daarom wees de rechtbank de vordering af en veroordeelde eiseres in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag is afgewezen wegens verjaring.