ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3746

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
13/706292-2012
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SrArt. 311 SrArt. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 175 Wegenverkeerswet 1994Art. 2 OLW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering verdachte medeplichtigheid aan dodelijk verkeersongeval

De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een verdachte aan Hongarije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte wordt verdacht van medeplichtigheid aan een verkeersongeval waarbij een dode viel, en van diefstal door braak. De officier van justitie stelde dat het feit voldoet aan de eis van dubbele strafbaarheid en dat medeplichtigheid aan een culpoos delict strafbaar is in Nederland.

De verdediging voerde aan dat het feit volgens Hongaars recht een zelfstandig strafbaar feit is dat in Nederland niet bestaat, en dat de deelnemingsvorm niet van toepassing is. De rechtbank volgde echter de officier van justitie en oordeelde dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is als medeplichtigheid aan overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 met dodelijke afloop.

De rechtbank stelde vast dat de feiten zowel in Hongarije als Nederland strafbaar zijn en dat de strafmaxima voldoen aan de eisen van de Overleveringswet. Er waren geen weigeringsgronden voor overlevering. Daarom werd de overlevering toegestaan voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen.

De uitspraak werd gedaan door mr. J.J. Bade, voorzitter, en de rechters H.P. Kijlstra en V.V. Essenburg op 29 mei 2012. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Hongarije toe voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/706292-2012
RK nummer: 12/2554
Datum uitspraak: 29 mei 2012
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 april 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 augustus 2011 door the Head of the Penal Enforcement Divsion of the Bács-Kiskun County Court, Kecskemét, Hongarije, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [plaats], Hongarije, op [1972],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[locatie]’, Huis van Bewaring ‘[locatie]’ te [plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 mei 2012. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Bosman en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon mr. K.K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam.
De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht op de vordering te worden gehoord. Zijn raadsvrouw heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om namens de opgeëiste persoon het woord te voeren.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van de volgende vonnissen:
- Order of the Town Court of Baja d.d. 8 april 2004, onherroepelijk sinds 7 mei 2004;
- Sentence of the City Court of Kecskemét d.d. 7 juli 2009 en onherroepelijk bij ‘order’ van de Bács-Kiskun County Court d.d. 28 mei 2010.
Referentienummers: 12.B.118/2004/2; No. 5/B.1776/2007/21; 1BF 242/2009/16.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van
a) een vrijheidsstraf voor de duur van vijf maanden en
b) een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren,
door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Van deze laatste straf resteert volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en 27 dagen.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de vier feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4. Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.
De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Hongarije als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.
Feiten waarop het vonnis van the Town Court of Baja d.d. 8 april 2004 betrekking heeft
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Feit waarop het vonnis van the City Court of Kecskemét d.d. 7 juli 2009 betrekking heeft
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar een vonnis van de Rechtbank Zutphen d.d.
8 september 2010 (LJN: BK0013), beargumenteerd dat het in het EAB omschreven feit voldoet aan de eis van dubbele strafbaarheid. De omstandigheden waaronder het ongeval, waarvoor de opgeëiste persoon als passagier verantwoordelijk is gehouden, heeft plaatsgevonden wijzen op een vorm van deelneming in de zin van ‘medeplichtigheid’.
Standpunt verdediging
In reactie hierop heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het in het EAB omschreven feit naar Hongaars recht een zelfstandig strafbaar feit is, dat de Nederlandse wet niet als zodanig kent. De door de officier van justitie aangeduide deelnemingsvorm is niet van toepassing op het feit.
Oordeel rechtbank
De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw in die zin dat zij heeft bepleit dat overlevering voor het feit moet worden geweigerd, op grond van het ontbreken van de dubbele strafbaarheid.
De rechtbank zal de officier van justitie in haar standpunt volgen. Het is niet ondenkbaar dat ook naar Nederlands recht een veroordeling kan volgen voor deelneming aan overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, ook indien iemand als passagier aan het verkeer deelneemt. De officier van justitie heeft gewezen op een voorbeeld van een dergelijke veroordeling.
Uit de feitsomschrijving in het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon zijn broer – de bestuurder van de bij het ongeval betrokken auto – als het ware heeft gefaciliteerd om te gaan rijden. Deze broer was op dat moment onder invloed van alcoholhoudende drank en beschikte niet over een rijbewijs. Desondanks heeft de opgeëiste persoon hem een auto ter beschikking gesteld en heeft zijn broer laten rijden. Vervolgens heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij een dode is gevallen. Naar Nederlands recht kan medeplichtigheid aan een culpoos delict strafbar zijn, mits de medeplichtige opzet heeft op het plegen van het delict.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het feit naar Nederlands recht kan worden gekwalificeerd en oplevert:
medeplichtigheid aan overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeluk betreft waardoor een ander wordt gedood.
5. Referte
De raadsvrouw heeft zich overigens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6. Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van Pro de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 48 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Head of the Penal Enforcement Divsion of the Bács-Kiskun County Court, Kecskemét, Hongarije, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. J.J. Bade, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en V.V. Essenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 mei 2012.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
[C]