ECLI:NL:RBAMS:2012:BY0020
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering verlenging gevangenhouding uitlevering
De zaak betreft een verzoek van de officier van justitie tot verlenging van een bevel tot gevangenhouding van een opgeëiste persoon in het kader van een uitleveringsprocedure. Op 6 juli 2012 had de rechtbank Amsterdam een bevel tot gevangenhouding voor dertig dagen bevolen. Bij een tussenuitspraak op 20 juli 2012 werd het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om nadere inlichtingen in te winnen.
De officier van justitie verzocht vervolgens om verlenging van het bevel gevangenhouding met nog eens dertig dagen of totdat het onderzoek zou worden gesloten. De rechtbank oordeelde dat de wet, met name artikel 38 van Pro de Uitleveringswet, geen verlenging toestaat zolang de rechtbank nog geen definitieve uitspraak heeft gedaan over de toelaatbaarheid van de uitlevering.
De rechtbank verbond aan de heropening van het onderzoek dat het oorspronkelijke bevel tot gevangenhouding niet meer van kracht was en dat de detentie voortduurde op basis van de eerder gegeven inverzekeringstelling. Bij gebrek aan een wettelijke regeling voor verlenging in deze situatie, besloot de rechtbank aansluiting te zoeken bij de situatie waarin het onderzoek ter zitting zou zijn geschorst en voor onbepaalde tijd aangehouden.
De rechtbank verklaarde daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot verlenging van het bevel tot gevangenhouding. De opgeëiste persoon verbleef nog steeds in detentie op grond van de eerdere inverzekeringstelling totdat de rechtbank een definitieve uitspraak doet.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot verlenging van het bevel tot gevangenhouding.