ECLI:NL:RBAMS:2012:BY5414
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Poolse autoriteiten wegens medeplegen opzetheling
De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 oktober 2012 een vordering tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon, een Poolse staatsburger zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van medeplegen opzetheling. De procedure betrof de vraag of de dagvaarding tijdig en rechtsgeldig was betekend volgens Pools recht, een vereiste voor de geldigheid van het EAB.
De verdediging voerde aan dat de dagvaarding niet officieel en tijdig was betekend, omdat deze door de moeder van de verdachte was ontvangen en niet duidelijk was wanneer. De officier van justitie verwees naar het Poolse Wetboek van Strafvordering, waarin betekening aan een volwassen huisgenoot als rechtsgeldig geldt. De rechtbank stelde vast dat de Poolse rechter bij de behandeling van de zaak de geldigheid en tijdigheid van de dagvaarding had beoordeeld, wat blijkt uit het vonnis dat tot strafoplegging leidde.
De rechtbank oordeelde dat de betekening aan de moeder van de verdachte volgens Pools recht gelijkstaat aan persoonlijke betekening en dat er geen weigeringsgronden waren op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet. Tevens werd vastgesteld dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, medeplegen opzetheling, strafbaar is in zowel Polen als Nederland, en dat de overige voorwaarden voor overlevering zijn vervuld.
Daarom werd de overlevering toegestaan voor de uitvoering van een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan nog zes maanden resteren. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor de uitvoering van een gevangenisstraf wegens medeplegen opzetheling.