ECLI:NL:RBAMS:2012:BY5594
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Grootmoeder huurt woonruimte aan kleinzoon en vrouw; geschil over huurovereenkomst en huurschuld
De grootmoeder verhuurde sinds 1999 woonruimte aan haar kleinzoon en diens vrouw. Na circa elf jaar verliet de kleinzoon de woning vanwege een echtscheiding en zegde hij de huurovereenkomst op. De vrouw van de kleinzoon werd geconfronteerd met een tussentijds gesloten huurcontract uit 2006, waarvan zij niet op de hoogte was. De kantonrechter acht aannemelijk dat de oorspronkelijke huurovereenkomst uit 1999 bleef gelden, omdat de huuropzegging door de kleinzoon zonder instemming van de vrouw geen effect had.
De rechtbank stelde vast dat de huurschuld moest worden berekend op basis van de feitelijk betaalde huur van €567,23 per maand, en niet op basis van de aangekondigde maar niet geïncasseerde huurverhogingen. Ook werd niet bewezen dat in de oorspronkelijke huurovereenkomst een boeteclausule of contractuele rente was overeengekomen. De vrouw en grootmoeder kwamen tijdens de procedure overeen de huurovereenkomst te beëindigen en het gehuurde te ontruimen.
De kantonrechter veroordeelde de vrouw tot betaling van een huurschuld van €3.285,00 en in de proceskosten, terwijl de vorderingen van de vrouw in reconventie werden afgewezen. De uitspraak benadrukt het belang van instemming bij wijziging of opzegging van een huurovereenkomst wanneer meerdere huurders contractspartij zijn.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de vrouw tot betaling van een huurschuld van €3.285,00 en wijst de reconventionele vorderingen af.