Eisers voerden beroep tegen drie besluiten van het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost Amsterdam: een last onder bestuursdwang om hun woonboot van een ligplaats te verwijderen (zaak I), de verlening van een ligplaatsvergunning aan een derde ([belanghebbende2], zaak II) en de weigering van een ligplaatsvergunning aan henzelf (zaak III).
De rechtbank oordeelt dat eisers ten tijde van het innemen van de ligplaats geen vergunning hadden en dat er geen concreet zicht op legalisatie bestond, waardoor de last onder bestuursdwang terecht is opgelegd en het beroep ongegrond is. Ook is de vergunningverlening aan de derde rechtmatig, omdat geen weigeringsgronden zijn gebleken en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
Ten aanzien van de weigering van de ligplaatsvergunning aan eisers verklaart de rechtbank het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat eisers op het moment van aanvraag geen aanspraak konden maken op de ligplaats omdat het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk was en dat de weigering daarom gerechtvaardigd was. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en wijst het beroep toe, waarbij de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens worden griffierecht en proceskosten aan eisers toegekend.