De werknemer was op non-actief gesteld met behoud van loon na een incident waarbij hij snacks op kantoor nuttigde en een conflict met zijn leidinggevende. De werkgever stelde dat de schorsing het gevolg was van langdurig disfunctioneren en een incident dat de vertrouwensband verbrak. De werknemer betwistte de ernst van het disfunctioneren en stelde dat er geen redelijke grond was voor de schorsing.
In de kortgedingprocedure vorderde de werknemer wedertewerkstelling, terwijl de werkgever een reconventionele vordering indiende om de beslissing op de vordering tot wedertewerkstelling aan te houden totdat op het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst was beslist.
De kantonrechter oordeelde dat disfunctioneren op zich onvoldoende is voor schorsing met behoud van loon en dat de werkgever onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had gesteld om de schorsing te rechtvaardigen. Het incident op 27 september 2013 was onvoldoende aannemelijk als reden voor non-actiefstelling. De vordering tot wedertewerkstelling werd daarom toegewezen met een termijn van tien dagen om nadere afspraken te maken.
De reconventionele vordering van de werkgever werd afgewezen. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter benadrukte dat de werkgever als goed werkgever moet handelen en redelijke instructies moet geven, en dat het belang van de werknemer bij voortzetting van zijn werkzaamheden zwaar weegt.