Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
"in overeenstemming met Artikel 10.4 een Vordering heeft ingediend".
Rechtbank Amsterdam
Partijen sloten een koopovereenkomst voor aandelen in een vennootschap die eigenaar was van een pand. De koopprijs bestond uit meerdere termijnen, waarbij betaling van de finale termijn afhankelijk was van onherroepelijke vaststelling van een bestemmingsplan.
CIA, koper, schortte betaling van de tweede en finale termijn op vanwege naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting die volgens haar een inbreuk op de belastinggarantie vormden. De naheffingsaanslagen werden later vernietigd of ingetrokken, waardoor Heredium, verkoper, stelde dat CIA in verzuim was geraakt en een boete verschuldigd was.
De rechtbank oordeelde dat partijen een afwijkende regeling waren overeengekomen die opschorting toestond zolang redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat een vordering bestond, ook als die achteraf ongegrond bleek. De belastinggarantie bood bescherming tegen fiscale acties, waardoor de opschorting gerechtvaardigd was en geen verzuim ontstond. De boete werd daarom niet toegewezen.
CIA vorderde tevens schadevergoeding voor gemaakte kosten en schade door fiscale procedures en cessie van vorderingen, waarvan een deel werd toegewezen. De rechtbank compenseerde de proceskosten en veroordeelde CIA tot betaling van het restant van de koopprijs met rente, terwijl Heredium werd veroordeeld tot uitkering van het depotbedrag aan CIA.
Uitkomst: Koper mocht betaling opschorten wegens belastinggarantie, geen verzuim of boete; gedeeltelijke betaling en schadevergoeding toegewezen.