Conclusie
OVERWEGENDE
1e Betaling”) op de Leveringsdatum;
2e Betaling”) uiterlijk op 31 december 2008; en
Finale Betaling”) binnen 5 (...) werkdagen nadat en uitsluitend indien, binnen zes jaren na de Leveringsdatum, de bestemming van het Registergoed, conform de door Koper in overeenstemming met het in Overweging D gestelde in e dienen bouwvergunningsaanvraag, onherroepelijk is vastgesteld.
10.VRIJWARING DOOR VERKOPER
Bijlage 9.1 Garanties
2.Procesverloop
met dien verstandedat al hetgeen CIA reeds heeft betaald (€ 1.800.000,00 op 4 oktober 2012 en hetgeen ter uitvoering van het bestreden vonnis daarna aan Heredium is voldaan) in mindering komt op eerst de verschuldigde rente en daarna op de verschuldigde hoofdsom ad € 1.920.987,56 (eerst de 2e Betaling en daarna de Finale Betaling);
3.Bespreking van de principale en de incidentele cassatieberoepen
onderdeel l.agaat het hof in rov. 3.2 uit van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de ‘claim opeisbaar en invorderbaar’ was en een niet meer weg te denken realiteit, aangezien de aanslag met terugwerkende kracht is vernietigd en geacht moet worden nooit te hebben bestaan, en een beroep op opschorting op eigen risico geschiedt, met als gevolg dat als dit beroep achteraf ongegrond blijkt de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim komt.
onderdelen I.b tot en met I.e en I.g.
Onderdeel l.ewijst er nog op dat een ruling was afgegeven waaraan de belastingdienst in beginsel gebonden is, partijen aannamen gevrijwaard te zullen blijven van de onderhavige belastingaanslag, Heredium van aanvang af heeft gewezen op de ondeugdelijkheid van de aanslag en het besluit waarbij de aanslag is opgelegd (op kosten van Heredium) onmiddellijk in rechte is aangevallen, Heredium CIA ter zake de belastingaanslag (zo die in stand was gebleven) had dienen te vrijwaren en, naar tussen partijen vaststaat, CIA achteraf gezien geen beroep toekwam op opschorting.
onderdeel l.f, dat het hof de grenzen van het hoger beroep heeft miskend, dient te falen. Het onderdeel betoogt, kort gezegd, dat Heredium in hoger beroep alleen is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3.1 van haar vonnis, dat partijen contractueel zijn afgeweken van de door de rechtbank bedoelde hoofdregel, maar dat het hof bij gebreke van een daartegen gerichte grief van CIA wel had uit te gaan van deze hoofdregel. Met de hoofdregel wordt gedoeld op de bij 3.6.1. bedoelde regel. Het onderdeel miskent dat grief 1 volgens de, in cassatie niet bestreden, uitleg van het hof aan de orde stelde of de opschorting door CIA gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad op eigen risico geschiedde. Daarmee viel de toepasselijkheid van deze regel binnen het door de grief ontsloten gebied.
onderdeel Vheeft het hof, kort gezegd, in rov. 3.5 miskend dat na het eindigen van de periode van opschorting op 21 september 2012, CIA krachtens de overeenkomst gehouden was om de Finale Betaling te verrichten binnen vijf werkdagen zodat zij na het verstrijken daarvan in verzuim is geraakt. Volgens de motiveringsklacht is het oordeel onbegrijpelijk in het licht van de in nr. 2.46 van het middel genoemde omstandigheden.
onderdeel 1.2zou ten hoogste een rentevergoeding gebaseerd op het bedrag dat CIA daadwerkelijk aan rente over het door haar nog niet betaalde bedrag heeft genoten, in aanmerking kunnen komen en niet de helft van het percentage van de wettelijke handelsrente.
onderdeel 1.1terecht aanvoert, onvoldoende om het oordeel van het hof te dragen nu deze omstandigheden welhaast inherent zijn aan situaties waarin betaling van een geldsom langer duurt dan contractueel is voorzien. Nu moeten deze twee omstandigheden kennelijk worden gelezen tegen de achtergrond van hetgeen het hof overweegt in rov. 3.2 omtrent het “op niet te rechtvaardigen wijze in een voordeliger positie” worden gebracht van CIA als gevolg van de opschorting in verband met de naheffingsaanslag. Ook dan getuigt het oordeel naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting omtrent hetgeen redelijkheid en billijkheid in de omstandigheden van dit geval meebrengen, althans is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd.
onderdeel 1.2over de hoogte van de toegewezen rente.
onderdeel 1.3is het hof niet (kenbaar) ingegaan op de (essentiële) stelling van CIA, dat de Finale Betaling eerst op 30 mei 2012 opeisbaar werd, omdat de bestemming van het Registergoed als bedoeld in de Koopovereenkomst pas op die datum onherroepelijk was geworden, en niet al op 5 oktober 2011. Daarmee zou onbegrijpelijk zijn waarom de helft van de wettelijke handelsrente verschuldigd zou zijn over € 1.500.000,00 reeds vanaf 5 oktober 2011 en niet vanaf 30 mei 2012.
onderdeel 1.4is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden of heeft het althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven, nu Heredium niet een aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ontleende rentevergoeding heeft gevorderd voor het geval CIA niet in verzuim zou zijn geweest, maar slechts de wettelijke handelsrente over het bedrag dat CIA volgens haar eerder aan haar had moeten voldoen omdat CIA in de visie van Heredium op onterechte gronden heeft opgeschort.
onderdelen lll.a tot en met en III.cklagen, samengevat, dat het oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd, nu een op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid aangenomen verplichting tot vergoeding van de kosten, die CIA heeft gemaakt ter vernietiging van de naheffingsaanslag, een verplichting tot schadevergoeding behelst waarop afdeling 6.1.10 BW (analoog) van toepassing is.
onderdelen III.d en III.eklagen, samengevat, over de motivering van het oordeel dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de kosten die CIA heeft gemaakt om de naheffingsaanslag te laten vernietigen, voor rekening van Heredium moeten komen.
onderdeel 2.1aanvoert, volgt uit het feit dat Heredium niet heeft betwist dat Aedes B.V. werkzaamheden heeft verricht en niet heeft gesteld dat deze onverschuldigd zijn betaald, niet dat moet worden uitgegaan van het bestaan van een afspraak tussen CIA en Aedes B.V op grond waarvan Aedes B.V. de door haar in de onderhavige zaak gemaakte kosten in rekening kon brengen bij CIA (en, zo voeg ik toe, dat Heredium deze diende te vergoeden). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat CIA nader had moeten toelichten op grond waarvan de aan Aedes B.V. betaalde bedragen door Heredium vergoed moesten worden. Voor het hof bestond dan ook geen aanleiding, anders dan
onderdeel 2.5betoogt, om het bedrag van deze kosten op de voet van art. 6:97 BW Pro te schatten.
onderdelen 2.2 tot en met 2.4veronderstellen dat het hof deze kosten om een andere reden heeft afgewezen. Genoemd worden een betwisting dat de werkzaamheden zijn verricht (2.2), een betwisting van het maken of de redelijkheid van de kosten (2.3) en een afwijzing omdat het slechts interne kosten van CIA zouden zijn (2.4). Deze onderdelen berusten op een onjuiste lezing van het arrest en falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. De klachten van onderdeel 2 dienen te falen.
onderdeel 3klaagt CIA over de verwerping van haar vordering tot vergoeding van een factuur van NUON in rov. 3.12:
onderdeel 3.1aanvoert, heeft het hof naar mijn mening niet miskend dat CIA zich in het kader van de uitleg van artikel 9.1 en 9.1.3 heeft beroepen op een in de vastgoedpraktijk bestaande (hoofd)regel of gebruik. Het hof heeft onderkend dat zij dat heeft gedaan, maar heeft dit gegeven anders gewogen dan door CIA was bepleit.
onderdeel 3.2aanvoert, is de beslissing in rov. 3.12 niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft aangegeven waarom de voorwaarde onder (ii) niet is beperkt tot levering van NUON na 20 februari 2008, waarbij het heeft gewezen op de aanhef van art. 9.1.3. Voorts heeft het hof gemotiveerd waarom niet is voldaan aan de voorwaarde onder (iii). Het onderdeel wijst niet op vindplaatsen in de gedingstukken waar zou zijn betoogd dat de vordering van NUON per 20 februari 2008 opeisbaar was. Volgens het onderdeel valt niet in te zien waarom er geen opeisbare vordering zou zijn, gezien de stelling van CIA dat het gaat om energieleveranties van voor de leveringsdatum. Ook indien daarin besloten ligt dat de vordering opeisbaar was, ligt daarin echter nog niet besloten dat sprake was van een tekortkoming in de nakoming ervan. Dat ligt ook niet besloten in de stelling (waarvoor de klacht verwijst naar de Nadere Akte d.d. 23 januari 2013 nr. 24) dat CIA door NUON is aangesproken tot betaling.
onderdeel 4.1aanvoert, heeft het hof niet miskend dat ook niet-bestuurders (zoals oud-bestuurders) bevoegd kunnen zijn om een rechtspersoon te vertegenwoordigen (bijvoorbeeld krachtens een aan hen verleende volmacht) respectievelijk dat sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen op het bestaan van een volmacht ook al was [betrokkene 1] geen bestuurder meer. In rov. 3.13 ligt besloten dat CIA daartoe te weinig heeft aangevoerd, namelijk slechts dat [betrokkene 1] de eerste bestuurder van Heredium is geweest, om een dergelijk vertrouwen op vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen aannemen.
onderdelen 4.3 tot en met 4.5bevatten voortbouwende klachten die falen in het voetspoor van de onderdelen 4.1 en 4.2.