Eiseres vorderde compensatie van €600 wegens annulering van haar vlucht door een defect aan de dynamo van de linkermotor. Verweerder, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, wees het verzoek om handhavend op te treden tegen United Airlines af, stellende dat sprake was van buitengewone omstandigheden die compensatie uitsluiten.
De rechtbank oordeelde dat het defect inherent was aan de normale bedrijfsvoering van de luchtvaartmaatschappij en daarmee geen buitengewone omstandigheid vormde. De verwijzing naar het Wallentin Herman arrest van het Hof van Justitie was daarbij leidend. Het beroep werd gegrond verklaard omdat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag was gebaseerd.
De rechtbank besloot zelf in de zaak te voorzien en droeg de staatssecretaris op binnen vier weken een last onder bestuursdwang op te leggen aan United Airlines tot betaling van de compensatie. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiseres.