ECLI:NL:RBAMS:2013:9770

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 september 2013
Publicatiedatum
16 mei 2014
Zaaknummer
C/13/430665 / HA RK 09-459
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 205 lid 2 RvArt. 199 lid 3 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van kosten deskundigen na minnelijke schikking in civiele procedure

In deze civiele procedure bij de Rechtbank Amsterdam hebben partijen een geschil over de verdeling van de kosten van twee deskundigen die door de rechtbank waren benoemd. Na het uitbrengen van voorlopige deskundigenberichten zijn partijen tot een minnelijke schikking gekomen, waardoor geen bodemprocedure meer volgt.

De rechtbank beoordeelt op grond van artikel 205 lid 2 Rv Pro welk deel van de kosten van de deskundigen door iedere partij moet worden gedragen. Omdat partijen geen afspraak hebben gemaakt over de kostenverdeling en de rechtbank geen inhoudelijk oordeel kan geven over de kwestie die zij hebben geregeld, wordt bepaald dat de kosten gelijkelijk worden verdeeld.

De totale kosten van de deskundigen bedragen €10.470,02, welke elk voor de helft door verzoeker en Achmea Schadeverzekeringen N.V. moeten worden voldaan. De rechtbank veroordeelt beide partijen tot betaling van €5.235,01 aan de griffier.

Uitkomst: Partijen worden ieder veroordeeld tot betaling van de helft van de kosten van de deskundigen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/430665 / HA RK 09-459
Beschikking van 12 september 2013 op grond van artikel 205 lid 2 Rv Pro
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. E.F. Klungers,
en
de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
belanghebbende,
advocaat mr. A.V.M. van Dijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de beschikkingen van deze rechtbank van 12 november 2009, 12 mei 2010, 20 januari 2011 en 18 augustus 2011, waarbij uiteindelijk G.J. Kruithof en R.E.E.M. Artoos tot deskundigen zijn benoemd (hierna: de deskundigen).
1.2.
De deskundigen hebben ieder een (voorlopig) deskundigenbericht uitgebracht.
1.3.
Bij brief van 16 oktober 2012 heeft de griffier partijen verzocht de rechtbank mede te delen of tussen partijen inmiddels een geding aanhangig is, zodat de rechtbank indien nodig een beschikking kan geven als bedoeld in artikel 205 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Partijen hebben aan de rechtbank medegedeeld dat geen bodemprocedure zal volgen, omdat zij naar aanleiding van de (voorlopige) deskundigenberichten tot een vergelijk buiten rechte zijn gekomen en een schikking hebben getroffen.

2.De beoordeling

2.1.
Omdat het loon van de deskundigen op grond van artikel 199 lid 3 Rv Pro door de griffier ten laste van ’s Rijks kas is gebracht, dient op grond van artikel 205 lid 2 Rv Pro te worden vastgesteld welk deel van het loon van de deskundigen door elk van de partijen dient te worden gedragen. Het loon van de deskundigen bedraagt € 4.620,18 (deskundige Kruithof) en € 5.849,84 (deskundige Artoos), in totaal derhalve € 10.470,02.
2.2.
In hun brieven van 1 november 2012 respectievelijk 16 november 2012 hebben partijen hun standpunt kenbaar gemaakt. [verzoeker] heeft daarbij naar voren gebracht dat Achmea, gelet op de inhoud van de tussen partijen getroffen schikking, als de in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen en dat Achmea om die reden met de kosten van de deskundigen dient te worden belast. Achmea voert op haar beurt aan dat [verzoeker], gelet op de inhoud van de tussen partijen getroffen regeling, hooguit als gedeeltelijk in het gelijk gesteld is te beschouwen en dat daarin aanleiding voor compensatie van kosten kan worden gevonden.
2.3.
Omdat partijen ter beëindiging van hun geschil een minnelijke regeling hebben getroffen, kan – anders dan partijen kennelijk menen – in artikel 237 Rv Pro geen basis worden gevonden voor een beslissing van de rechtbank over de vraag door wie de kosten van de deskundigen dienen te worden gedragen. De rechtbank wordt immers geen inhoudelijk oordeel gevraagd over de kwestie die partijen verdeeld hield maar die zij in onderling overleg hebben geregeld, zodat van een “in het ongelijk gestelde” of “verliezende” partij niet kan worden gesproken. Wel dient de rechtbank op de voet van artikel 205 lid 2 Rv Pro vast te stellen welk deel van de kosten van de deskundigen elk van partijen moet dragen. De rechtbank is daarbij niet gebonden aan haar eerdere beslissing dat de kosten – zoals in dit geval – door de verzoekende partij moesten worden voorgeschoten. Gelet op het feit dat partijen een schikking hebben getroffen en niet is gesteld of gebleken dat partijen omtrent de kosten van de deskundigen een andersluidende afspraak hebben gemaakt, ligt het meest in de rede dat ieder van partijen belast wordt met de helft van de kosten van de deskundigen. De rechtbank zal dan ook dienovereenkomstig bepalen dat elk van partijen de helft van de kosten van de deskundigen aan de griffier moeten voldoen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van € 5.235,01, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.491 ten name van Arrondissement 521 Amsterdam, onder vermelding van "kosten deskundige" en het zaak- en rekestnummer,
3.2.
veroordeelt Achmea tot betaling van € 5.235,01, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.491 ten name van Arrondissement 521 Amsterdam, onder vermelding van "kosten deskundige" en het zaak- en rekestnummer.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2013.