Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM
438
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]
3. [eiser 3]
4. [eiser 4]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
- de dagvaarding van 13 juli 2012 inhoudende de vordering van [eisers tezamen] met producties;
- de conclusie van antwoord van UWV met producties.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
”3.10 Het hof stelt voorop dat de overgangsbepaling van art. B.3 lid 1 naar haar bewoordingen en gelezen in samenhang met de hierboven weergegeven tekst van de preambule en van artikel 1.1 en 4.1 van de CAO, geen ruimte voor een andere interpretatie laat dan dat met ingang van 1 januari 2003 voor alle medewerkers van UWV een full-time dienstverband van 38 uur per week is gaan gelden. Aan het opnemen van deze overgangsbepaling ligt, gegeven de hiervoor aangeduide samenhang, de veronderstelling ten grondslag dat er een wijziging plaatsvindt van hetgeen rechtens gold vóór 1 januari 2003. De overgangsbepaling mist een redelijke grondslag als deze niet rechtstreeks betrekking zou hebben op de regeling van de werktijden in artikel 4.1 lid 1 CAO. De stelling van UWV dat de arbeidstijdenregeling veel meer inhoudt dan de omvang van de arbeidstijd wordt door het hof niet gevolgd: de kern van hoofdstuk 4 wordt gevormd door artikel 4.1. De overige bepalingen van dat hoofdstuk zijn daarvan een uitwerking. UWV heeft geen steekhoudende argumenten naar voren gebracht die in dit verband tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven.”
en voorts:
”3.16. De conclusie uit de voorgaande overwegingen is dat artikel 4.1 lid 1 en B.3 lid 1 van de CAO inhouden dat voor oud medewerkers van USZO die werkzaam waren op fulltime basis, tot 1 januari 2003 een arbeidstijd van 36 uur gold en nadien, zoals voor alle werknemers van UWV werkzaam op fulltime basis, een arbeidstijd van 38 uur. De door UWV gestelde omstandigheden leiden ieder op zich zelf noch in onderlinge samenhang bezien tot een andere uitleg.”
’Hierbij verklaar ik ( [naam 1] ) dat (naam en personeelsnummer van de betreffende eiser) bij overgang van USZO naar UWV zijn volledige dienstverband (100% wenste te behouden. Hij was bereid daarvoor 38 uur per week te gaan werken. Echter, het toenmalige personeelsbeleid maakte het onmogelijk te kiezen voor een 38 urig (100%) dienstverband.’
‘…respectievelijk manager IP-HPT manager Samenloop en manager Uitvoering van het BackOffice Overheid & Onderwijs’ van UWV, heeft op 21 juli 2009 schriftelijk onder meer verklaard dat hij:
’
…verzoeken tot uitbreiding van de urenomvang van hogerhand nooit heeft mogen honoreren. Deze gedragsregel was het uitvloeisel van het (tactische) beleid, dat in de regio Zuid (Limburg, naderhand oostelijk Noord-Brabant) werd uitgedragen.(…)Als reden van afwijzing werd aanvankelijk het voorkomen van vroegtijdige boventalligheid genoemd. Naderhand is op dit argument steeds terug gegrepen en heeft dit ontmoedigingsbeleid geleid tot berusting. Toch is herhaaldelijk door medewerkers in werkoverleggen deze kwestie aan de orde gesteld. Toen in september 2007 de mogelijkheid werd geboden om naar 38 uur over te gaan, hebben de meeste medewerkers van het BackOffice hiervan dan ook gebruik gemaakt.’
’Na uitvoering van het bovenstaande verlenen werkgever en werknemer elkaar over een weer finale kwijting terzake van al hetgeen zij uit hoofde van het dienstverband en/of terzake van de beëindiging daarvan te vorderen mochten hebben.’
Vordering
Verweer
Beoordeling
het merendeel van de oud-USZO medewerkers 36 uur is blijven werken‘ heeft betrokken in haar oordeel, maar niet relevant heeft bevonden voor de uitleg van de overgangsrechtelijke bepalingen van de CAO. Dat [eisers tezamen] feitelijk niet reeds vanaf 1 januari 2003 38 uur per week zijn gaan werken doet niet af aan het feit dat zij vanaf die datum wel aanspraak hadden op werk voor die arbeidstijd.