ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0458
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit overtreding gedoogvoorwaarden softdrugs
De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 maart 2013 een ontnemingsvordering tegen veroordeelde, voortvloeiend uit een eerdere strafzaak waarin hij was veroordeeld voor het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid softdrugs op 17 februari 2010. De ontnemingsvordering richtte zich op het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de jaren 2005 tot en met 2009, waarbij sprake was van een structurele overschrijding van de gedoogvoorwaarden voor coffeeshops.
Veroordeelde voerde meerdere verweren aan, waaronder schending van Salduz-rechten, onrechtmatigheid van bewijsverkrijging, toepassing van de Geerings-jurisprudentie, en betwisting van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwierp deze verweren, onder meer omdat de verklaring van een getuige niet ondertekend was en dus buiten beschouwing moest blijven, en omdat de vordering op juiste wettelijke gronden was gebaseerd.
De rechtbank nam de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel over van het strafrechtelijk financieel onderzoek, waarbij de opbrengsten uit legale horeca-activiteiten werden uitgesloten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €410.249,45 voor veroordeelde, gebaseerd op zijn aandeel in de omzet van de coffeeshops. De rechtbank wees de vordering toe en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen.
Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op €410.249,45 aan wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen aan de Staat.