ECLI:NL:RBAMS:2013:CA3792
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Overlevering naar Slowakije toegestaan wegens opzettelijk bezit verdovende middelen
De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 mei 2013 een vordering op grond van artikel 23 van Pro de Overleveringswet tot overlevering van een persoon aan Slowakije. De opgeëiste persoon werd verdacht van twee strafbare feiten volgens het Slowaakse recht, waaronder het bezit van verdovende middelen.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel. Belangrijk was de toetsing van dubbele strafbaarheid, waarbij de vraag centraal stond of het bezit van verdovende middelen opzettelijk was en of dit naar Nederlands recht strafbaar is met een vrijheidsstraf van ten minste twaalf maanden. De verdediging stelde dat het bezit niet opzettelijk was en dat de stof pervitin geen lijst I-middel is, terwijl de officier van justitie stelde dat opzet niet hoeft te worden getoetst of dat in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet.
De rechtbank concludeerde dat het feit kan worden gekwalificeerd als opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet, mede omdat de opgeëiste persoon een zakje met kristalachtig materiaal (methamfetamine) overhandigde. De rechtbank verwierp het verweer en stelde vast dat aan de dubbele strafbaarheidseis is voldaan. Er waren geen weigeringsgronden voor overlevering, zodat deze werd toegestaan.
Tenslotte bepaalde de rechtbank dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Slowakije toe wegens opzettelijk bezit van verdovende middelen.