Op 28 januari 2014 heeft de rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte wegens straatroof met geweld. Verdachte werd beschuldigd van twee straatroven gepleegd in augustus en oktober 2013. De rechtbank sprak verdachte vrij van de tweede tenlastelegging wegens onvoldoende bewijs, met name omdat de paallocatiegegevens onvoldoende zekerheid boden dat verdachte op de plaats delict aanwezig was.
Voor het eerste feit, gepleegd op 18 oktober 2013, achtte de rechtbank bewezen dat verdachte met geweld een portemonnee met inhoud heeft weggenomen van het slachtoffer. Verdachte gebruikte daarbij schoppende en slaande bewegingen en hield het slachtoffer vast. De rechtbank woog mee dat verdachte eerder was veroordeeld voor soortgelijke delicten en dat het geweld beperkt van aard was.
De rechtbank nam ook kennis van psychologisch onderzoek waaruit bleek dat verdachte zwakbegaafd is en antisociaal gedrag vertoont, maar geen psychiatrische stoornis heeft. De reclassering adviseerde dat ambulante begeleiding niet meer effectief was. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 4 maanden op, met aftrek van voorarrest, en wees de vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen af, omdat een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) nog liep en herleefde.
De uitspraak benadrukt het belang van een pedagogische aanpak boven strafoplegging gezien de gedragsproblematiek van verdachte en de bescherming van de samenleving. De straf is lager dan gevorderd vanwege de omstandigheden en vrijspraak van het tweede feit.