De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 mei 2014 een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland, op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Staatsanwaltschaft Aachen. Het EAB betreft een strafrechtelijk onderzoek naar diefstal gepleegd door meerdere personen met braak. De identiteit van de verdachte werd bevestigd en hij bezit de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank onderzocht de strafbaarheid van het feit volgens zowel Duits als Nederlands recht en concludeerde dat dubbele strafbaarheid aanwezig is, waarbij in beide landen een vrijheidsstraf van ten minste twaalf maanden kan worden opgelegd. Tevens werd een garantie van de Duitse autoriteiten aanvaard dat een eventuele onvoorwaardelijke straf in Nederland kan worden uitgezeten conform het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen.
De verdediging voerde aan dat er mogelijk sprake is van een lopende of toekomstige Nederlandse vervolging, wat een weigeringsgrond zou kunnen zijn, en dat de plannen voor de diefstal in Nederland zouden zijn gemaakt. De rechtbank vond deze argumenten onvoldoende onderbouwd en zag geen aanwijzingen voor een Nederlandse vervolging of dat het strafbare feit deels in Nederland is gepleegd.
Na toetsing van de relevante artikelen van de Overleveringswet en het Wetboek van Strafrecht, en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.