De werknemer is sinds juni 2012 arbeidsongeschikt en heeft zijn werkzaamheden in het kader van re-integratie langzaam uitgebreid, maar met terugval. De bedrijfsarts en het UWV oordeelden dat de werknemer passend werk kon verrichten, waarop de werkgever de loonbetaling stopzette per 1 april 2014. De werknemer betwistte dit en stelde dat hij sinds 18 december 2013 volledig arbeidsongeschikt was, ondersteund door medische informatie van huisarts en psycholoog.
De rechtbank constateert dat de bedrijfsarts sinds september 2013 geen eigen onderzoek meer heeft uitgevoerd en na de ziekmelding van 18 december 2013 geen vervolgafspraken heeft gemaakt, in strijd met zijn eigen rapportage. Het UWV heeft geen eigen medisch onderzoek gedaan en het oordeel van de bedrijfsarts kritiekloos overgenomen. De werknemer heeft onvoldoende medische informatie aan de werkgever verstrekt wegens het beginsel van hoor en wederhoor, maar de omstandigheden maken aannemelijk dat de werknemer arbeidsongeschikt was.
De loonstop is daarmee onterecht en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon vanaf 31 maart tot en met 30 september 2014, met een gematigde wettelijke verhoging van 25% over de periode 31 maart tot en met 31 mei 2014. De werkgever wordt tevens veroordeeld in de proceskosten. De verantwoordelijkheid voor de WIA-aanvraag ligt bij de werknemer, waardoor de loonsanctie van het UWV niet aan de werkgever kan worden toegerekend.