ECLI:NL:RBAMS:2014:5493

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juli 2014
Publicatiedatum
1 september 2014
Zaaknummer
13/751059-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel ondanks ne bis in idem-verweer

De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 juli 2014 een vordering tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Staatsanwaltschaft Aachen. De verdachte, met de Nederlandse nationaliteit en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van fraude zoals omschreven in het EAB.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde deze. Vervolgens werd vastgesteld dat het strafbare feit in Duitsland ook strafbaar is volgens Nederlands recht, waardoor dubbele strafbaarheid niet in de weg staat. De Duitse autoriteiten gaven bovendien een garantie dat een eventuele vrijheidsstraf in Nederland kan worden uitgezeten conform het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen.

De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd wegens schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat de verdachte in Nederland reeds voor vergelijkbare feiten was vervolgd en veroordeeld, en het onderhavige feit in Nederland was geseponeerd. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het specifieke feit waarvoor overlevering werd verzocht niet opnieuw vervolgd kan worden in Nederland en het ne bis in idem-beginsel niet is geschonden.

Gezien het voldoen aan alle wettelijke vereisten en het ontbreken van andere weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe ondanks het ne bis in idem-verweer.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751059-14
RK nummer: 14/3409
Datum uitspraak: 29 juli 2014
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 juni 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juni 2013 door het
Staatsanwaltschaft Aachen(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] te [plaats],
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 juli 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Al Mansouri.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. W.D.M. de Boer, advocaat te Apeldoorn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen en voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege haar volle agenda niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het Amtsgericht Aachen van 7 juni 2013 met kenmerk 622 Gs 724/13.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. het feit valt in op deze lijst onder nummer 8, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag Pro inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.
De
Leitende Oberstaatsanwaltin Aachen heeft bij brief van 18 december 2013 ten aanzien van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven:
Er wordt verzekerd, dat de vervolgde in geval van een rechtsgeldige veroordeling tot een vrijheidsstraf in Duitsland, waarvan de voltrekking niet wordt omgevormd tot een voorwaardelijke straf, in navolging van het verdrag van 21.03.1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen voor de verdere strafvoltrekking naar Nederland zal worden overgebracht, en dat zonder voorwaarden, zodat de omzettingsprocedure volgens artikel 11 van Pro het bovengenoemde verdrag kan worden toegepast.
Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Aan deze voorwaarde is voldaan.
Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
verduistering
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.Ne bis in idem

De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd nu er sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht is onderzocht door het Nederlandse Openbaar Ministerie en heeft ook op de dagvaarding van de Nederlandse strafzaak gestaan, samen met 8 andere feiten. Voor dit feit kan de opgeëiste persoon dus niet nogmaals in Duitsland vervolgd worden.
Bovendien vormt onderhavig feit een keten met de overige 8 feiten, zodat er niet zomaar één zaak uitgelicht kan worden; dat levert een onnodig hoge straf op, aldus de raadsvrouw.
De opgeëiste persoon heeft nog betoogd dat hij al driekwart jaar in voorarrest heeft gezeten op basis van 9 feiten en niet op basis van 8 feiten. Wanneer hij overgeleverd zou worden, zou hij opnieuw voor hetzelfde feit vast worden gehouden. De opgeëiste persoon meent dat dit onterecht is.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verweren niet kunnen slagen. De opgeëiste persoon is voor vergelijkbare feiten in Nederland vervolgd en veroordeeld, maar de vervolging voor onderhavig feit is geëindigd in een sepot vanwege de niet ontvankelijkheid van het Nederlandse openbaar ministerie. Dit volgt uit informatie van de officier van justitie en het uittreksel Justitiële Documentatie op naam van de opgeëiste persoon (parketnummer 05/720209-13). Schending van het ne bis in idem-beginsel, zoals neergelegd in artikel 9 OLW Pro, is derhalve niet aan de orde. Het feit dat de opgeëiste persoon mede voor onderhavig feit in Nederland in voorarrest heeft gezeten, maakt dit niet anders.
Dat de opgeëiste persoon eventueel een – in totaal – hogere straf opgelegd krijgt wanneer hij wordt overgeleverd dan wanneer alle negen feiten tegelijkertijd in Nederland zouden zijn afgedaan, levert geen weigeringsgrond op. De verweren worden verworpen.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 321 Wetboek Pro van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[verdachte]aan het
Staatsanwaltschaft Aachen(Duitsland) ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. J.O. Rutten en A.M. van der Linden-Kaajan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juli 2014.
De voorzitter en oudste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.