Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs in een bedrijfspand ter bevoorrading van een coffeeshop. De rechtbank nam kennis van de feiten, waaronder het aantreffen van circa 90 kilogram hennep, 12 kilogram hasj en 5432 joints.
De verdediging voerde aan dat het binnentreden onrechtmatig was en dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet. De rechtbank verwierp deze verweren en stelde vast dat er een redelijk vermoeden van overtreding bestond en dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de grote voorraad aanwezig was.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat de aangetroffen voorraad niet zodanig disproportioneel was ten opzichte van de dagomzet van de coffeeshop, die ruim 1,2 kilogram per dag bedroeg, en dat de voorraad toereikend was voor ruim twee maanden exploitatie. Gezien de gedoogstatus van de coffeeshop en de goede bedrijfsvoering, legde de rechtbank geen straf op maar sprak verdachte wel strafbaar uit.