De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 december 2014 een verzoek tot overlevering van een Litouwse verdachte aan Duitsland op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Staatsanwaltschaft te Bochum. De verdachte werd verdacht van drie strafbare feiten die volgens Duits recht vallen onder georganiseerde of gewapende diefstal, waarvoor een gevangenisstraf van ten minste drie jaar staat.
Tijdens de openbare zitting op 21 november 2014 werd de identiteit van de verdachte bevestigd en was hij bijgestaan door een raadsman en een tolk. Er werd vastgesteld dat er concurrerende overleveringsverzoeken waren van zowel Duitsland als Litouwen. De officier van justitie gaf aan dat het Duitse verzoek voorrang verdient vanwege de ernst van de strafbare feiten en het feit dat het Litouwse verzoek betrekking had op de tenuitvoerlegging van een straf en de Litouwse nationaliteit van de verdachte.
De rechtbank oordeelde dat aan alle wettelijke voorwaarden voor overlevering was voldaan, dat er geen weigeringsgronden waren en dat de keuze voor voorrang van het Duitse verzoek redelijk was. Op grond hiervan werd de overlevering aan Duitsland toegestaan, conform de artikelen 2, 5, 7 en 28 van de Overleveringswet. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.