ECLI:NL:RBAMS:2015:1177

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2015
Publicatiedatum
5 maart 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 247
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36 Wbp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het bezwaar tegen opname in de top 600 lijst wegens privacy en onschuldpresumptie

De zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om hem niet te verwijderen van de top 600 lijst, een lijst van notoire plegers van ernstige delicten. Eiser stelt dat opname in strijd is met de onschuldpresumptie en dat het besluit onzorgvuldig is genomen.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens voor de top 600 lijst niet gericht is op vervolging en niet leidt tot een strafrechtelijke sanctie. Daarom zijn de waarborgen van artikel 6 EVRM Pro omtrent een strafrechtelijke procedure niet van toepassing. Ook is het hanteren van aanhoudingen als selectiecriterium toegestaan.

De rechtbank volgt deze motivering en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter H.G. Schoots op 13 februari 2015.

Uitkomst: Het beroep tegen opname in de top 600 lijst wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 14/247

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. T.N. Ritzer),
en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Gun en mr. H.A.L. Krans).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser hem van de top 600 lijst te verwijderen afgewezen.
Bij besluit van 13 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2014. Eiser en zijn gemachtigde zijn -met bericht- niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Bij beslissing van 20 augustus 2014 is het onderzoek heropend in afwachting van de uitspraak van de meervoudige kamer in soortgelijke zaken. Partijen hebben nog stukken ingezonden en de rechtbank toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Overwegingen

1. Bij brief van 10 januari 2013 is aan eiser meegedeeld dat hij op de top 600 lijst is geplaatst.
2. De top 600-aanpak betreft een gecoördineerde inzet op basis van bestaande taken en bevoegdheden van gemeente, politie, justitie en hulpdiensten, in de vorm van een op individuele problemen, behoeften en mogelijkheden toegesneden aanpak van de top 600 notoire plegers van overvallen, straatroven, geweldsmisdrijven en woninginbraken, waarbij wordt beoogd deze feiten significant terug te dringen en verdere schade aan de betrokkenen, hun gezinsstructuur en de samenleving te voorkomen. Waar nodig krijgen ook broers, zussen en kinderen van de personen op de lijst op maat toegesneden zorg. De samenwerkende instanties hebben hiertoe het convenant aanpak top 600 met elkaar gesloten.
3. Bij brief van 28 maart 2013 heeft eiser verzocht hem te verwijderen van de top 600 lijst.
4. Blijkens het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser beschouwd als een verzoek tot verwijdering in de zin van artikel 36 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens. Verweerder heeft het verzoek afgewezen en zich - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat het samenstellen van de top 600 lijst en de daarmee samenhangende gegevensverwerking in overeenstemming is met de geldende (privacy)wetgeving. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
5. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het opnemen van eiser in de top 600 lijst in strijd is met het leerstuk van de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daartoe heeft eiser aangevoerd dat er slechts sprake is van aanhoudingen. Het is onrechtmatig om deze maatregel te baseren op een redelijk vermoeden van schuld. Verweerder heeft geen degelijk onderzoek gedaan, zodat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
6 . Deze rechtbank heeft de thans aan de orde zijnde rechtsvraag eerder beantwoord in een uitspraak van 16 oktober 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:7011). In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens voor de top 600 lijst niet vervolging als doel heeft en niet leidt tot een punitieve sanctie. Daarom is geen sprake van een criminal charge en zijn ook de waarborgen die gelden als daarvan wel sprake is, niet van toepassing. In deze uitspraak heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat verweerder ook de aanhoudingen als selectiecriterium heeft kunnen hanteren. De rechtbank volgt deze uitspraak en de motivering die daarin is gegeven. Het beroep van eiser op artikel 6 van Pro het EVRM kan, gelet hierop, niet slagen.
7. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het vorenstaande betekent dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Schoots, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Mol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2015.
rechter
grffier
de griffier is buiten staat de uitspraak te tekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Afschrift verzonden aan partijen op