Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 28 mei 2014 met producties,
- de akte rectificatie,
- de conclusie van antwoord van 27 augustus 2014,
- het tussenvonnis van 24 september 2014 waarin ambtshalve een comparitie van partijen is bepaald,
- het proces-verbaal van comparitie van 10 februari 2015 en de daarin vermelde stukken.
2.De feiten
Aldus is voldoende komen vast te staan dat de aan het rotondegebouw van [gebouw 1] opgetreden zettingen een gevolg zijn van de door aanneemster (rechtbank: BAM) gekozen uitvoeringsmethode in combinatie met fouten bij de uitvoering en dat er in zoverre sprake is van uitvoeringsfouten aan de zijde van aanneemster op grond waarvan aanneemster aansprakelijk is voor de als gevolg van die uitvoeringsfouten door opdrachtgeefster (rechtbank: Lirema) geleden vertragingsschade.”
Appelarbiters zijn dan ook van oordeel dat, gelijk opdrachtgeefster stelt, de meerkosten voor de vertraging voor rekening van aanneemster komen.”
Gegeven dat opdrachtgeefster eerst in hoger beroep een concreet bedrag aan schadevergoeding vordert, alsmede in aanmerking nemende de aard en omvang van die gevorderde schadevergoeding, zijn appelarbiters, ook gelet op de beginselen van behoorlijke procesorde, in redelijkheid van oordeel dat dit specifieke onderdeel van de vordering van opdrachtgeefster dient te worden verwezen naar de gewone arbitrageregeling, zodat partijen zich in twee feitelijke instanties (eerste aanleg en indien gewenst in een hoger beroepsprocedure) op een deugdelijke wijze over die vordering en de stellingen van de respectievelijke wederpartij daaromtrent kunnen uitlaten. Aldus wordt beslist.”
1. De opdrachtgever kan wegens te late oplevering van het werk aan de aannemer kortingen op de aanneemsom opleggen. (…)
de beoordeling van het geschil
“(etc.) een parkeergarage moet ontwerpen en bouwen voor de vaste aanneemsom van € 6.500.000,-- en dat de DNR en UAV hierop van toepassing zijn”.
33. Grief I faalt.
3.Het geschil
4.De beoordeling
zodat partijen zich in twee feitelijke instanties (eerste aanleg en indien gewenst in een hoger beroepsprocedure) op een deugdelijke wijze over die vordering en de stellingen van de respectievelijke wederpartij daaromtrent kunnen uitlaten”. Appelarbiters in het spoedbodemgeschil vonden het (mede) met het oog op de beginselen van een behoorlijke procesorde nodig dat partijen zich - over en weer - nog in twee instanties over de vordering tot schadevergoeding konden uitlaten. De rechtbank volgt Lirema dan ook niet waar zij stelt dat geen verwijzing had behoeven plaats te vinden als het appelscheidsgerecht in het spoedbodemgeschil de slagingskans van het beroep op paragraaf 42 lid 2 UAV 1989 groot had geacht.
aansprakelijkheidvan BAM tussen partijen in het spoedbodemgeschil al bindend was vastgesteld en dat dit oordeel gezag van gewijsde had. Voor aansprakelijkheid is echter voldoende dat aannemelijk is gemaakt dat mogelijk schade is geleden. Het oordeel over de aansprakelijkheid houdt niet zonder meer een beslissing in over het beroep op paragraaf 42 lid 2 UAV 1989.
dat op grond van het bepaalde in artikel 236 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering aan de toepasselijkheid van de UAV 1989 (met inbegrip van par. 42 lid 2 daarvan) op de (volledige) overeenkomst tussen partijen niet (meer) kan worden getornd”. Op de stelling van Lirema is derhalve beslist. Gelet op de uitgebreide toelichting van het appelscheidsgerecht die aan deze beslissing voorafgaat, volgt de rechtbank Lirema bovendien niet in haar - daarnaast - geformuleerde klacht dat het bestreden appelvonnis op dit onderdeel niet met redenen is omkleed.
dat weliswaar sprake is van een grote discrepantie tussen gefixeerde en werkelijke (gestelde) schade, doch dat dit verschil tussen de gefixeerde schade per dag en de (gestelde) werkelijke schade per dag (rente- en exploitatieverliezen) voor opdrachtgeefster voorzienbaar was”.De paragrafen 125 en 137 van de memorie van grieven van Lirema richten zich tegen die overweging. Voorts is ten onrechte overwogen dat geen grief is gericht tegen het oordeel van arbiters in eerste aanleg dat er “reeds daarom” geen reden was waarom BAM niet te goede trouw een beroep op paragraaf 42 lid 2 UAV 1989 zou mogen doen. Tegen dit oordeel zijn paragraaf 138 en de paragrafen 161 tot en met 164 van haar memorie van grieven gericht, aldus - steeds - Lirema.
aangetoonddat het (gestelde) verwijtbaar tekortschieten van BAM juist dit predicaat grove schuld verdient. Het appelscheidsgerecht heeft zijn oordeel, dat grove schuld aan de zijde van BAM niet kan worden aangenomen, aldus met redenen omkleed. De rechtbank herhaalt dat het onderhavige geding er niet toe strekt het door appelarbiters berechte geschil opnieuw te behandelen. Vernietiging op de hiervoor bedoelde grond is pas aan de orde wanneer de motivering ontbreekt, waaronder begrepen het geval waarin voor een beslissing in het vonnis niet enige steekhoudende verklaring te vinden is. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat de klacht faalt.
BAM heeft er alles aan gedaan het werk te hervatten”
€ 904,00(2,0 punten × tarief € 452,00)