Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
A); 13/731065-14 (
B) (Promis)
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
driepersonen hebben gezeten, waarvan twee in ieder geval hebben geschoten: de bijrijder en de man op de achterbank. Dat kan met zekerheid worden vastgesteld aan de hand van de getuigenissen van [naam 1] en [naam buurtbewoner], alsmede de verklaring van [getuige 1], in combinatie met die van de motoragenten, alles in onderling verband en samenhang beschouwd. Dat een aantal getuigen slechts één schutter heeft beschreven doet daar niet aan af. Getuige [naam 1] heeft vanaf de allereerste verhoren stellig en eenduidig verklaard dat hij drie personen in de Audi heeft zien zitten. Dat hij ter plaatse – om 22.50 uur - in een (112) gesprek slechts twee namen heeft genoemd, dwingt geenszins tot de conclusie dat er maar twee personen in de auto hebben gezeten. Het gegeven dat de schutter die als laatste, met de Glock, op [slachtoffer 2] schoot, op de bijrijdersstoel plaatsnam, waarna even later vanaf de achterbank van de Audi met een ander vuurwapen (de AK) op de politieagenten is geschoten, duidt eveneens op een derde inzittende.
tweeinzittenden in de Audi hebben gezeten impliceert dat iemand minstens twee keer zonder duidelijke reden over stoelen moet zijn geklommen: de keer nadat [naam buurtbewoner] de schutters rechts zag instappen en nóg een keer om daarna de motoragenten vanaf de achterbank te beschieten. Een dergelijke gang van zaken wordt als onlogisch en onaannemelijk terzijde geschoven.
(“En met die tijde niet te precies zijn zegge jullie is lang terug maar ongeveer zo laat enz. die belangrijkste is 30 a 40 min na dat ik deur uit was weten jullie zeker dat jullie toen politie en helikopter hoorde. (…) toen maakten jullie geintjes van is toch niet voor hem (…)”). Daar komt bij dat de eigenaar van de Smulhoek, noch de knippers, noch [naam 3], het verhaal van verdachte bevestigt. De door verdachte en de raadsvrouw gepresenteerde reden van het bestaan van deze briefjes, inhoudende dat verdachte juist wilde voorkomen dat vrienden onopzettelijk onwaarheden gingen verklaren in hun ijver hem terecht vrij te pleiten, schuift de rechtbank als onaannemelijk terzijde.
Audiruit in de bewijswaardering wordt betrokken, maakt dit niet anders, te minder nu niet is aangevoerd noch aannemelijk is geworden dat verdachte in die periode veelvuldig in aanraking kwam met gebarsten voorruiten van een of meerdere andere Audi’s.
5.De strafbaarheid van de feiten
6.De strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straf
8.Beslag
9.Ten aanzien van de benadeelde partijen
[motoragent 1]een bedrag van € 10.000,-- gevorderd aan immateriële schade.
[motoragent 2]een bedrag van € 15.000,-- gevorderd aan immateriële schade.
[naam 1]een bedrag van € 7.500,-- gevorderd aan immateriële schade.
[naam 4 broer slachtoffer 2](broer van slachtoffer) een bedrag van € 17.500,-- gevorderd aan immateriële schade, bestaande uit affectieschade.
[naam 5](vader van slachtoffer) een bedrag van € 20.000,-- gevorderd aan immateriële schade.
[naam 6](moeder van slachtoffer) een bedrag van
[naam 7](zus van slachtoffer) een bedrag van € 17.500,-- gevorderd aan immateriële schade en een bedrag van € 75,-- aan materiële kosten.
[naam 8 zus slachoffer 2](zus van slachtoffer) een bedrag van € 17.500,-- gevorderd aan immateriële schade en een bedrag van € 75,-- aan materiële kosten.
[naam 9], (broer van slachtoffer) een bedrag van € 17.500,-- gevorderd aan immateriële schade en een bedrag van € 313,96 aan materiële kosten.
[naam 10], (zus van slachtoffer) een bedrag van € 17.500,-- gevorderd aan immateriële schade en een bedrag van € 2.337,52 aan materiële kosten.
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
levenslange gevangenisstraf.
[motoragent 1], domicilie kiezende bij Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, DPA/Preventie en Zorg/IPS, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam, toe tot
[motoragent 2], domicilie kiezende bij Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, DPA/Preventie en Zorg/IPS, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam, toe tot
[naam 1], verblijvende in PI [detentiegegevens], toe tot
€ 3.000,-- (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
[naam 4 broer slachtoffer 2]niet-ontvankelijk in zijn vordering.
[naam 5]niet-ontvankelijk in zijn vordering.
[naam 6], woonachtig aan de [adres], toe tot
€ 75,-- (vijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
[naam 8 zus slachoffer 2], woonachtig aan [adres], toe tot
€ 75,-- (vijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
[naam 4 broer slachtoffer 2], woonachtig aan [adres], toe tot
€ 75,-- (vijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
[naam 9], woonachtig aan [adres], toe tot
€ 313,96 (driehonderdendertien euro en zesennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
€ 313,96 (driehonderdendertien euro en zesennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 6 (zes) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
[naam 10], woonachtig aan [adres], toe tot
€ 2.337,52 (tweeduizenddriehonderdenzevenendertig euro en tweeënvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
€ 2.337,52(tweeduizenddriehonderdenzevenendertig euro en tweeënvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 33 (drieëndertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.