ECLI:NL:RBAMS:2015:3161

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2015
Publicatiedatum
27 mei 2015
Zaaknummer
13-751078-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering aan Polen toegestaan behalve voor belediging van een aantal

De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 maart 2015 de vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De opgeëiste persoon, van Poolse nationaliteit, werd verdacht van feiten waarvoor in Polen drie vonnissen tot een gevangenisstraf van elk één jaar zijn opgelegd.

De verdediging voerde verweren aan op basis van artikel 12 en Pro artikel 6 van Pro de Overleveringswet (OLW), waaronder het ontbreken van kennis over de omzetting van voorwaardelijke naar onvoorwaardelijke straffen en het rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat de omzetting niet als een verstekvonnis geldt en dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon onafgebroken en rechtmatig vijf jaar in Nederland verbleef.

De rechtbank beoordeelde de strafbaarheid van de feiten volgens Nederlands recht en concludeerde dat voor het feit van belediging van een aantal geen vrijheidsstraf van ten minste twaalf maanden geldt, waardoor overlevering hiervoor wordt geweigerd. Voor de overige feiten, waaronder medeplegen van mishandeling en bedreiging, is aan de dubbele strafbaarheidsvereiste voldaan en wordt overlevering toegestaan.

De rechtbank kon niet vaststellen welk deel van de straf betrekking heeft op welke feiten en liet dit over aan de Poolse autoriteiten. Tegen de uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Overlevering aan Polen wordt toegestaan voor de meeste feiten, behalve voor het beledigen van een aantal waarvoor overlevering wordt geweigerd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751078-15
RK nummer: 15/1364
Datum uitspraak: 14 april 2015
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 februari 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 mei 2014 door
the Circuit Court in Gliwice 5th Penal Division based in Rybnik(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende en verblijvend op het adres [adres te plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 maart 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Bosman.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.A. Lo-A-Foe, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van drie vonnissen:
I. van 19 juni 2007 van the District Court of Żory, met kenmerk IIK 25/07;
II. van 11 september 2007 van the District Court of Żory, met kenmerk IIK 331/07;
III. van 20 april 2010 van the District Court of Żory, met kenmerk IIK 36/10.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar (bij elk vonnis is 1 jaar gevangenisstraf opgelegd), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De raadsman heeft betoogd dat in eerste instantie voorwaardelijke straffen zijn opgelegd die later zijn omgezet in onvoorwaardelijke straffen. De opgeëiste persoon is hiervan nooit op de hoogte gesteld en heeft zich dus niet kunnen verweren tegen deze omzetting. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is van toepassing, aldus de raadsman.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De rechtbank overweegt dat artikel 12 van Pro de OLW volgens vaste rechtspraak niet ziet op de beslissing waarbij een voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd. Een dergelijke beslissing kan niet als een verstekvonnis in de zin van dat artikel worden aangemerkt. In dit verband geldt dat in de procedure die aan de beslissing tot omzetting ten grondslag ligt, niet wordt geoordeeld over bewijs en schuld met betrekking tot de aan de opgeëiste persoon verweten feiten waarvoor hij reeds straffen heeft gekregen en waarvoor de overlevering wordt verzocht. Het verweer wordt verworpen.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.
De rechtbank stelt vast dat de feiten zoals omschreven onder punt 2.2 – gepleegd op 27 februari 2007 – onder andere betrekking hebben op belediging van een aantal
Railroad Guards. Naar Nederlands recht is op deze beledigingen geen vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld, zodat de overlevering hiervoor moet worden geweigerd.
De rechtbank stelt vast dat de overige feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van mishandeling
opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd
mishandeling
wederspannigheid
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, juncto artikel 6, tweede, lid OLW
De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon al bijna 5 jaar in Nederland verblijft en hier altijd heeft gewerkt en gewoond. Er is sprake van een rechtmatig verblijf zodat de opgeëiste persoon gelijkgesteld dient te worden met een Nederlander op grond van artikel 6 OLW Pro. De overlevering dient daarom te worden geweigerd.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer moet worden verworpen. De opgeëiste persoon – die niet staat ingeschreven bij de Basisregistratie Personen (BRP) – voldoet niet aan de eisen die voor gelijkstelling met een Nederlander gelden, nu op basis van het dossier niet kan worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft verbleven, noch dat dit verblijf gedurende die vijf jaar rechtmatig is geweest. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit een en ander zou kunnen blijken terwijl bovendien is gesteld dat de opgeëiste persoon
bijna5 jaar in Nederland verblijft.

6.Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten die betrekking hebben op het beledigen van een aantal
Railroad Guardsop 27 februari 2007 niet is voldaan aan de eisen van de Overleveringswet, dient de overlevering voor deze feiten te worden geweigerd. Ten aanzien van de overige feiten wordt de overlevering toegestaan.
De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 180, 285, 285a en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens het beledigen van een aantal
Railroad Guardsop 27 februari 2007.
STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Gliwice 5th Penal Division based in Rybnik(Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens de overige feiten waarvoor de overlevering is verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 14 april 2015.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.