De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Arrondissementsrechtbank Gdańsk, Polen, voor de tenuitvoerlegging van een reststraf van vier jaar en zes maanden waarvan nog bijna twee jaar openstaat. De opgeëiste persoon, geboren in België en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van ernstige strafbare feiten waaronder mensenhandel en deelname aan een criminele organisatie.
Tijdens de procedure voerde de verdediging aan dat overlevering moest worden geweigerd omdat Polen afstand zou hebben gedaan van de tenuitvoerlegging, aangezien de opgeëiste persoon eerder naar België was overgebracht waar hij een deel van de straf zou hebben uitgezeten. De Belgische autoriteiten zouden bovendien een fout hebben gemaakt door de opgeëiste persoon voortijdig vrij te laten en de reststraf in België in elektronische detentie willen uitvoeren, waardoor dubbele tenuitvoerlegging zou ontstaan.
De officier van justitie en de rechtbank verwierpen dit verweer. Uit correspondentie van de Poolse justitiële autoriteiten bleek dat er geen verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging door België was gedaan en dat de straf nog niet was uitgevoerd. De rechtbank concludeerde dat het EAB geldig is, dat de feiten strafbaar zijn in beide landen en dat geen weigeringsgronden van toepassing zijn.
De rechtbank oordeelde dat de overlevering aan Polen moet worden toegestaan voor de tenuitvoerlegging van de reststraf. Er is geen risico op dubbele tenuitvoerlegging dat tot weigering kan leiden, en het feit dat de opgeëiste persoon België heeft verlaten doet niet af aan de geldigheid van het EAB. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.