De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 augustus 2015 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de PIJ-maatregel voor de duur van zes maanden tegen een veroordeelde die sinds 2010 in een inrichting voor jeugdigen verbleef.
De rechtbank nam kennis van adviezen, rapportages en eerdere beschikkingen en hoorde deskundigen en de advocaat van de veroordeelde. De deskundigen verklaarden dat de verlofaanvraag door het ministerie was afgewezen, waardoor het resocialisatietraject niet kon starten en de behandeling niet kon worden voortgezet.
De officier van justitie wilde de maatregel verlengen in afwachting van mogelijke toekomstige goedkeuring van verlof. De verdediging stelde dat verlenging zinloos was omdat de veroordeelde niet werd behandeld en niet in vrijheid werd gesteld, terwijl alternatieve begeleiding en woonruimte beschikbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat het criterium voor verlenging is dat de maatregel noodzakelijk is voor veiligheid en het belang van de ontwikkeling van de veroordeelde. Nu geen resocialisatie mogelijk was en geen behandeling plaatsvond, was verlenging niet in het belang van de veroordeelde. De vordering werd afgewezen.
De rechtbank wees op de beschikbare woonplek met individuele begeleiding en het opgelegde reclasseringstoezicht, met de hoop dat de veroordeelde zo goed kan terugkeren in de maatschappij.