Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2015 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
,stelt afkomstig te zijn uit Eritrea en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Eiser is op 29 november 2013 toegelaten tot de opvang aan de Havenstraat (de zogenoemde Vluchthaven). Op 2 mei 2014 heeft eiser een aanvraag gedaan om continuering van de opvang. Op 9 mei 2014 heeft eiser verweerder verzocht voor 14 mei 2014 op zijn aanvraag te beslissen. Op 29 mei 2014 heeft eiser verweerder verzocht hem op de lijst van kwetsbaren te plaatsen.
In de zaak geregistreerd onder nummer AMS 14/5557
In de zaak geregistreerd onder nummer AMS 15/1367
Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus en gelet op het koppelingsbeginsel geen aanspraak heeft op opvang op grond van de Wmo. Daarnaast verkeert eiser niet in bijzondere omstandigheden in verband met kwetsbaarheid als bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en uitzichtloosheid ten aanzien van terugkeer naar het land van herkomst. Verweerder heeft eiser gewezen op de mogelijkheid tot gebruik van de bed-bad-broodvoorziening. Aan de eerder genoten opvang in de Vluchthaven kunnen geen rechten ontleend worden. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij in dezelfde omstandigheden verkeert als degenen die opvang in de Walborg hebben gekregen.
Tijdens de hoorzitting is gebleken dat eiser een procedure heeft lopen naar aanleiding van een verzoek om uitstel van de vertrekplicht op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht dit beroep kansrijk. Voorts zijn na de hoorzitting aanvullende stukken ingediend waaronder een brief van Equator van 9 oktober 2014, die de ernst van de medische situatie onderbouwen. Gelet hierop wordt een uitkering toegekend met ingang van de datum van de hoorzitting.
De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Het gaat immers om een financiële verstrekking. Een financiële verstrekking kan wel met terugwerkende kracht verleend worden.
Ten aanzien van de ingebrekestelling van 8 juli 2014 overweegt de rechtbank dat die ziet op een andere aanvraag, te weten de aanvraag van 6 juni 2014. Deze aanvraag valt binnen de hier in geding zijnde periode. De rechtbank stelt vast dat deze ingebrekestelling eveneens prematuur is omdat de redelijke termijn om op de aanvraag van 6 juni 2014 te beslissen nog niet was verstreken. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de situatie van eiser vergelijkbaar is met de situatie in de door eiser aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1871). De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom af.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden.