Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
(…)
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van twee stichtingen, een verkrijgende en een verdwijnende, tot goedkeuring van een voorgenomen juridische fusie op grond van artikel 2:317 lid 5 BW Pro. Beide stichtingen zijn actief in de zorg voor ouderen, waarbij de verkrijgende stichting zich richt op het verlenen van zorg en de verdwijnende stichting op het huisvesten van ouderen via aanleunwoningen.
De fusie zou ertoe leiden dat de verdwijnende stichting ophoudt te bestaan en haar vermogen overgaat naar de verkrijgende stichting. De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van de criteria van artikel 2:294 BW Pro, waarbij wijziging van statuten slechts is toegestaan indien ongewijzigde handhaving redelijkerwijs niet gewenst is en met terughoudendheid ten opzichte van bestaande statuten.
De rechtbank concludeerde dat de fusie niet in het belang is van de verdwijnende stichting, omdat de verkrijgende stichting haar statutaire zorgdoelstelling in de praktijk niet meer naleeft en zich feitelijk richt op huisvesting, net als de verdwijnende stichting. Hierdoor zou de verdwijnende stichting opgaan in een stichting die haar doelstelling niet uitvoert, wat strijdig is met haar belang.
Hoewel de stichtingen aangaven na de fusie de statutaire doelomschrijving te willen wijzigen, achtte de rechtbank dit onvoldoende concreet en omgeven door onzekerheden om het verzoek alsnog toe te wijzen. Daarom wees de rechtbank het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot goedkeuring van het fusiebesluit wordt afgewezen omdat de fusie strijdig is met het belang van de verdwijnende stichting.