Verzoeker, doofblind en met Wajong-status, was werkzaam bij de stichting met een 20-urige werkweek. De stichting had de arbeidsovereenkomst opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen, waarvoor het UWV toestemming had verleend. Verzoeker stelde dat de financiële noodzaak onvoldoende was onderbouwd en dat er geen redelijke grond was voor opzegging.
De kantonrechter oordeelde dat hoewel de stichting een negatief eigen vermogen had, dit in de jaren was afgenomen en er in 2015 een positief resultaat was geboekt. De stichting had onvoldoende aangetoond dat de functie van verzoeker moest vervallen, mede omdat werkzaamheden als PR/voorlichter nog bestonden en niet waren weggenomen.
De arbeidsovereenkomst wordt hersteld met ingang van 25 april 2016, zonder terugwerkende kracht. Voor de periode tussen opzegging en herstel wordt een voorziening getroffen voor het netto verschil tussen het laatstverdiende salaris en de ontvangen WW-uitkering. De stichting wordt veroordeeld in de proceskosten.