Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
ernstigverwijtbaar handelen in plaats van ongekwalificeerd verwijtbaar handelen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de wettekst van en de toelichting bij art. 7:669 lid 3 onder Pro e BW daarvoor geen aanknopingspunten bieden anders dan bijvoorbeeld in art. 7:673 lid 1 onder Pro b of lid 7 onder c BW.
Meriant-beschikking van Uw Raad [20] op grond van art. 7:682 lid 6 BW Pro een voorziening had moeten treffen voor de genoemde periode van onderbreking van de arbeidsovereenkomst. In de tweede plaats betoogt [verzoeker] dat het vaststellen van de hersteldatum weliswaar een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft, maar dat de rechter, wanneer hij ervoor kiest de arbeidsovereenkomst tegen een latere datum dan de ontbindingsdatum te herstellen, deze keuze wel deugdelijk dient te motiveren.
Meriant-beschikking. [22] Uw Raad heeft daar geoordeeld dat art. 7:682 lid 6 BW Pro aldus moet worden begrepen:
Meriant-beschikking: [23]
Meriant-beschikking [40] is de vraag aan de orde gekomen of de appelrechter op grond van art. 7:683 lid 4 jo Pro. 7:682 lid 6 BW
verplichtis om een voorziening te treffen voor de eventuele periode gelegen tussen de datum van ontbinding en de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst. Uw Raad heeft daarop als volgt geantwoord:
Meriant-beschikking volgt, kortom, dat de appelrechter een discretionaire bevoegdheid heeft en niet de verplichting om een voorziening te treffen. [41] Hij moet echter wel een beslissing nemen omtrent het treffen van een voorziening. Ook het bepalen dat over de periode van onderbreking geen, of slechts een minimale, betaling behoeft te worden verricht, kan worden aangemerkt als een beslissing omtrent het treffen van een voorziening. [42] Indien de appelrechter van oordeel is dat de kantonrechter het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft toegewezen en de appelrechter de werkgever op de voet van art. 7:683 lid 3 BW Pro veroordeelt tot herstel van de arbeidsovereenkomst tegen een latere datum (waardoor een onderbreking van de arbeidsovereenkomst optreedt), kan hij in voorkomende gevallen afzien van het treffen van een voorziening voor de tussenliggende periode. [43]
[Van der W.]-beschikking, [44] waarin een andere in verband met art. 7:683 lid 3 BW Pro gerezen vraag centraal stond, de vraag namelijk of de appelrechter wanneer hij de ten onrechte ontbonden arbeidsovereenkomst niet herstelt, vervolgens verplicht is een billijke vergoeding toe te wijzen, heeft A-G De Bock opgemerkt dat het op dit punt bieden van discretionaire ruimte aan de rechter om met inachtneming van alle bijzondere omstandigheden van het geval maatwerk te leveren, in overeenstemming is met de
Meriant-beschikking van Uw Raad. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel wel inzicht te geven in de omstandigheden die hem tot dat oordeel hebben gebracht. [45]
[Van der W.]-beschikking vervolgens overwogen dat er volgens de wettekst van art. 7:683 lid 3 BW Pro geen verplichting bestaat voor de rechter om in geval de arbeidsovereenkomst niet wordt hersteld een billijke vergoeding toe te kennen. Ook in de toelichting op die bepaling, zo overweegt Uw Raad in rov. 3.3.2, wordt in dit verband veelal gesproken in termen van ‘kunnen’ en mogelijkheden’; van een verplichting wordt niet gerept. De toelichting bevat geen duidelijke aanwijzingen dat die verplichting toch zou zijn beoogd. Uw Raad heeft art. 7:683 lid 3 BW Pro dan ook zo uitgelegd dat de appelrechter, die tot het oordeel komt dat de arbeidsovereenkomst in eerste aanleg ten onrechte is ontbonden en dat herstel niet is aangewezen, moet beslissen of aan de werknemer een billijke vergoeding moet worden toegekend en, zo ja, tot welk bedrag. De rechter heeft in voorkomend geval dus ook de bevoegdheid om geen billijke vergoeding toe te kennen (rov. 3.3.3). Wat daarop volgt, lijkt mij ook van belang voor de onderhavige zaak:
Meriant-beschikking. In die beschikking blijkt weliswaar niet expliciet van een motiveringsplicht, maar in het licht van de aan de beschikking voorafgaande conclusie van A-G De Bock [46] en ook van de zojuist besproken overwegingen van Uw Raad in de
[Van der W.]-beschikking, ligt het voor de hand dat het hof ook in situaties als de onderhavige zijn oordeel omtrent het gebruik van de hem op grond van art. 7:683 lid 3 BW Pro toekomende bevoegdheden moet motiveren.
moetnemen, faalt het. Het hof kan immers wel degelijk ook afzien van het treffen van een voorziening. Een dergelijke beslissing verlangt dan wel een deugdelijke motivering. Het hof heeft in het onderhavige geval echter geen woord gewijd aan het niet treffen van een voorziening voor de periode tussen de ontbinding en de hersteldatum van de arbeidsovereenkomst en daarmee ook geen zicht gegeven op achterliggende redenen van of argumenten voor zijn beslissing. Dat [verzoeker] enkel herstel heeft verzocht en niet (ook) het treffen van een voorziening, is misschien niet handig en komt waarschijnlijk ook steeds minder vaak voor, maar lijkt me niet beslissend. Hij heeft het hof wat hersteldatum betreft ruimte gegeven in de inleiding op de grieven in zijn beroepschrift (herstellen ‘per een datum zoals het Hof zal menen te behoren’; randnummer 3.1.), maar mocht er daarbij wat mij betreft vanuit gaan dat het hof zich er bij de keuze voor de ene of de andere datum rekenschap van zou geven dat daaraan consequenties verbonden zijn. In het ene geval zouden voorzieningen aan de orde kunnen zijn die bij een andere keuze niet nodig of wellicht ook niet gerechtvaardigd zijn. Het hof heeft, het zij herhaald, hier veel ruimte, maar het moet wel inzicht geven dat en waarom het bepaalde keuzes maakt. Voor zover de
onderdelen 1 en 2klagen over een ontoereikende motivering, treffen zij daarmee dus doel.