Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 26 mei 2016;
- het e-mailbericht van mr. Huibregtse van 7 juni 2016.
2.De feiten
3.Het verzoek en de beoordeling daarvan
- Ten eerste wordt overwogen dat de statuten van [stichting] voorzien in een driekoppig bestuur waarbinnen op basis van unanimiteit wordt besloten. Het ligt dus voor de hand dat ook in de vacatures van de bestuursleden B en C wordt voorzien. Bestuursleden zijn slechts gezamenlijk vertegenwoordigingsbevoegd (zie artikelen 4.1, 7.1 en 9.2 statuten).
- Ten tweede wordt aandacht gevraagd voor het feit dat het besluit tot ontbinding van de stichting en tot bestemming van het liquidatiesaldo, een bestuursbesluit betreft (artikel 18.1 en 18.2 statuten). Ook de bestemming van de vermogensbestanddelen betreft een bestuursbesluit, met dien verstande dat dit besluit door de vergadering van certificaathouders moet worden goedgekeurd (artikel 18.5 statuten). Voor zover de curator in haar verzoek opmerkt dat “de stichting na de decertificering niet langer nodig zal zijn” en dat het wenselijk is dat het “vermogen van de Stichting wordt overgedragen aan Holma” wordt dus ten onrechte eraan voorbij gegaan dat zowel het besluit tot ontbinding annex bestemming van het liquidatiesaldo als dat tot bestemming van het vermogen, zelfstandige bestuursbesluiten betreffen.
- Ten slotte brengt de rechtbank onder de aandacht dat gedurende de vereffening de bepalingen van de statuten zoveel mogelijk van kracht blijven (artikel 18.4 statuten). Aangezien de statuten bepalen dat het bestuur zich ten aanzien van bepaalde aangelegenheden - kort gezegd - de kunstcollectie betreffende zich laat adviseren door een kunst en- investeringsdeskundige en/of een raad van curatoren (zie onder meer artikel 9.6 en 9.7 en 11 statuten), ligt het in voorkomende gevallen voor de hand dat deze bepalingen ook in het kader van de vereffening in acht worden genomen.