Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2016 in de zaak tussen
[de man] , te Amsterdam, eiser
het college van bestuur van Wageningen University, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
e samenstelling van BAC II en de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies
chair holder(de leerstoelhouder) als informant voor de BAC. De gebruikelijke gang van zaken is dat de chair holder een voordracht schrijft en de BAC tijdens een gesprek nader mondeling informeert. In dit geval beschikte de leerstoelgroep [naam leerstoelgroep] ten tijde van de advisering door BAC II niet over een leerstoelhouder vanwege het vertrek van [naam betrokkene] . In haar hoedanigheid van [functie 3] heeft [naam leidinggevende] als informant gefungeerd. Zij heeft een korte brief geschreven, waarin BAC II is verzocht advies uit te brengen, en zij heeft tijdens het gesprek van 27 mei 2014 inlichtingen aan BAC II verstrekt.
The Assessment Committee (BAC) makes an overall assessment of the academic performance of a candidatewithin her/his domain-specific and institutional context(onderstreping rechtbank). Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien hoe recht kan worden gedaan aan dit uitgangspunt wanneer de BAC geen inhoudelijke informatie verkrijgt van één of meer personen die voldoende deskundig zijn op eisers onderzoeksterrein en zicht hebben op diens functioneren. De stelling van verweerder, dat het niet de hoogleraar is maar de BAC die de tenure track-kandidaat beoordeelt, is op zichzelf juist, maar laat onverlet dat het verstrekken van informatie door een hoogleraar/leerstoelhouder essentieel is.
co-applicants. Prof. [naam betrokkene] was de beoogd promotor en eiser de dagelijks supervisor van de Phd-studente. Eiser heeft met prof. [naam betrokkene] en met een andere professor, [naam betrokkene] , besproken dat hij het PhD-project mocht opvoeren als acquisitie.
De R&O-verslagen van 13 mei 2013 en 13 maart 2014
Proceskosten bezwaar
Verzoek om schadevergoeding
Slotsom en proceskosten
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, behalve voor zover daarin het bezwaar tegen de primaire besluiten I en II gegrond is verklaard;
- vernietigt het nadere besluit van 23 maart 2015;
- herroept de primaire besluiten I en II, stelt de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in bezwaar vast op € 1.960,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit III met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep van eiser tot een bedrag van € 992,-.
.